Nuis moet kunstenaars niet dwarsbomen

Staatssecretaris Nuis (Cultuur) overlegt morgen met de Tweede Kamer over de herstructurering van het kunstvakonderwijs. Hij wil het aantal opleidingsplaatsen drastisch beperken. Dat is een foute zaak, vindt René van der Land.

Achter 'kunstvakonderwijs' gaat een beeld van het kunstonderwijs schuil dat moeilijk te verwrikken lijkt en waarop zakelijke argumenten weinig vat hebben: er is te veel kunstonderwijs, de kwaliteit ervan is te laag en er komen meer kunstenaars dan ''de markt'' kan verwerken.

Hoewel ook de muziek- en dramasector worden genoemd is duidelijk dat de beeldende kunst als het grootste zorgenkind wordt gezien. Ik ga hierna dan ook vooral in op de situatie in die sector.

Het beeld van het beeldende kunstonderwijs wordt al jaren ten onrechte vooral bepaald door de autonome beeldende kunst: academies leiden beeldend kunstenaars op die geen werk kunnen vinden en daarom zijn aangewezen op de bijstand. Tegelijkertijd zegt de overheid dat ze onvoldoende informatie heeft over de situatie in het kunstonderwijs en over de aantallen studenten in de verschillende richtingen. Daarom hier eerst wat feiten. In 1994-95 volgden in Nederland ruim 1.800 studenten een voltijdstudie autonome beeldende kunst, dat is minder dan een kwart (24 procent) van alle studenten in de vakrichtingen. Alle andere studenten volgden een toegepaste richting of een lerarenopleiding.

Omdat de Nederlandse academies sinds enige jaren minder studenten mogen aannemen en zij die vermindering vooral zoeken in de beeldende kunst is dat aantal sinds die tijd nog verder teruggelopen. Binnen enkele jaren zal het totaal aantal studenten autonome beeldende kunst zijn teruggelopen met meer dan 40 procent. Het is dus zeer de vraag of er nog wel reden is voor een overheidsbeleid dat is gericht op verdere vermindering van de capaciteit. Wat de overheid wil gebeurt al volop.

Op dit moment bestaat er een opleiding beeldende kunst aan elf academies. De visitatiecommissie beeldende kunst en vormgeving, die net haar rapport heeft gepubliceerd is voorstander van het behoud van de bestaande academies. Wel vraagt men zich af of alle opleidingen in de autonome beeldende kunst gehandhaafd moeten blijven. De commissie is daar geen voorstander van, maar bijna alle academies zijn het er over eens dat een scheiden van toegepaste en autonome kunst voor het onderwijs een verarming zou betekenen.

In landen waar deze opleidingen meestal gescheiden voorkomen, zoals in Duitsland, willen velen in het onderwijs en daarbuiten juist het Nederlandse voorbeeld volgen. Of overal het bestaande aanbod behouden moet blijven willen de academies overigens het komende jaar serieus gaan onderzoeken. Daarbij zal natuurlijk de kwaliteit van de opleidingen een belangrijke rol moeten spelen.

Wat die kwaliteit betreft maakt het recente visitatierapport ons jammer genoeg niet veel wijzer. De commissie doet zelf geen duidelijke uitspraak over het niveau van het onderwijs in de autonome beeldende kunst noch over het niveau van de afgestudeerden. Alle academies moeten blijven, zo zegt de commissie, maar of dat bij voortgaande daling van het studentenaantal wel de beste garantie is voor kwaliteit, is voor mij niet zeker.

De aansluiting op de arbeidsmarkt is momenteel een groot probleem, zegt de staatssecretaris, daarmee suggererend dat dat vroeger anders was. Dat is onzin. Het lijkt er op dat men door enkele recente onderzoeken nu een beter beeld heeft van de inkomenspositie van jonge kunstenaars en op grond daarvan constateert dat die positie verslechterd is en wij dus een probleem hebben.

Zij die zich hier al wat langer mee bezighouden weten dat dit een onjuiste voorstelling van zaken is. Tot midden jaren tachtig werd het zicht op de moeilijke inkomenspositie van beeldende kunstenaars belemmerd door de BKR (de contraprestatie) en werd het probleem niet onderkend. In feite is het voor beeldende kunstenaars altijd moeilijk geweest en is het nog steeds moeilijk om voldoende inkomsten te genereren uit de verkoop van hun werk.

Het is al versluierend om van een 'arbeidsmarkt' voor beeldende kunstenaars te spreken. Er is geen markt voor hun arbeid, wel voor hun produkten. (In 1994 bedroeg de omzet van Nederlandse kunst via de galeries ongeveer 80 miljoen gulden).

De staatssecretaris wil de “uitstroom uit het kunstvakonderwijs naar de bijstand” verder beperken. Maar de opvatting dat dat alleen kan door het aantal drastisch te beperken is bevoogdend en getuigt van een te enge rendementsgedachte ten aanzien van kunst en cultuur. Iedereen die nu begint met een studie in de beeldende kunst weet dat het een moeilijke en risicovolle stap is. Ook de opleidingen zijn daarover heel duidelijk. Als kandidaten dat, tegen de verdrukking in, toch willen doen en over voldoende talent en doorzettingsvermogen beschikken, dan moeten zij die kans krijgen.

Het is aan de overheid een beleid te ontwikkelen ten aanzien van instroom en verblijfsduur in de bijstand. Geen van de aankomend kunstenaars die ik spreek verwacht dat de overheid de verantwoordelijkheid voor hun levensonderhoud op zich neemt. De meesten zijn ook in het geheel niet van plan afhankelijk te worden van een uitkering, WIK (Wet inkomensvoorziening kunstenaars) of niet.

Het zou goed zijn als de overheid, inclusief de staatssecretaris, wat meer ruggengraat toonde tegenover het economisch getinte rendementsdenken over kunst en kunstonderwijs. Laat zij blij zijn dat er nog steeds mensen zijn die kiezen voor de kunst. Die met een mengeling van idealisme en realisme daaraan beginnen en zo een bijdrage leveren aan het artistieke en culturele klimaat van ons land. Voor je het weet klinkt anders in het nieuwe millennium de klacht dat er zo weinig kunstenaars en vormgevers meer worden opgeleid in Nederland. Laten wij zorgen dat het niet zo ver komt.