Nederland ligt goed bij bedrijven uit VS

Is Nederland voor Amerikaanse bedrijven aantrekkelijk genoeg om zich er te vestigen? De race tussen Europese landen om het binnenhalen van buitenlandse bedrijven is feller dan ooit. Juist door de eenwording van Europa zijn de leden van de Europese Unie meer dan ooit concurrenten geworden. De basis voor een vestigingsbesluit is een samenspel van factoren als geografische ligging, opleidingsniveau, arbeidsklimaat en politieke en fiscale stabiliteit. Van de factoren die een rol spelen bij de besluitvorming is de fiscale een van de belangrijkste, al is het volgens betrokkenen zelden of nooit de allesbepalende factor.

Onlangs besloot de Amerikaanse softwareproducent Novell af te zien van een hoofdvestiging in Nederland. Een van de redenen die mogelijk een rol speelt is dat Novell eerder in aanvaring kwam met de Nederlandse fiscus over waardering van opties op aandelen aan medewerkers. De fiscus kent aan deze een verwachtingswaarde toe. Maar Novell wilde hier niet van weten en vestigde zijn hoofdkantoor elders.

Anderzijds heeft Nederland recentelijk BF Goodrich geworven en Europese hoofdvestigingen voor Oasis, Tessco Technologies en Metrix. Ook Perkin & Elmer is onlangs begonnen zijn Europese vestigingen in Nederland te centraliseren. Het zijn niet altijd Fortune-500 bedrijven maar met het binnenhalen van bedrijven timmert Nederland gestaag aan de weg. In totaal hebben zo'n 1600 Amerikaanse bedrijven een vorm van aanwezigheid in Nederland. Deze cijfers lijken het standpunt te ondersteunen dat het tot nu toe zo slecht nog niet gaat.

“Nederland doet het in het algemeen heel goed bij het aantrekken van bedrijven”, zegt bij voorbeeld C.A.P. ('Cap') Vermeulen, directeur van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) in New York. “Het succes is moeilijk meetbaar maar als we zien dat 4 tot 5 procent van het bruto binnenlands produkt van de Europese Unie uit Nederland komt maar dat wij aan de andere kant 9 tot 10 procent van de investeringen aantrekken, dan krijg je een idee.” Op de ranglijst van cumulatieve investeringen van Amerikanen in het buitenland staat Nederland op een vijfde plaats, na Groot-Brittannië, Canada, Duitsland en Japan. Hier zijn echter ook beleggingen bij opgeteld.

Staatssecretaris Vermeend deed in april een aantal voorstellen die het beleid ten aanzien van buitenlandse bedrijven op bepaalde punten herziet. Waarnemers zijn er niet zeker van of dat de positie van Nederland in vergelijking met de buurlanden verbetert. “Ondanks onze successen in het verleden moeten we de aandacht juist nu, in deze tijd van een stuwende Amerikaanse groei, niet laten verslappen”, zegt Alex Postma, werkzaam bij de internationale belastingadviesgroep van Ernst & Young in New York, waar een groep van meer dan vijftien adviseurs zich bezighoudt met het begeleiden van de Nederlandse investeringen van Amerikaanse bedrijven.

Volgens een betrokkene is met België 'elke gewenste fiscale deal' af te sluiten. “Onlangs zijn veel Amerikaanse coördinatiecentra voor Europa naar België gegaan”, erkent Vermeulen. Andere grote concurrenten van Nederland bij het binnenhalen van Amerikaanse bedrijven zijn delen van Engeland en het noordelijk deel van Frankrijk. In sommige sectoren zijn ook Schotland en Ierland concurrenten. Het laatste land scoort met name op het gebied van de arbeidsintensieve industrie. Het lagere arbeidsloon en ook het 10 procents vennootschaps-belastingtarief in Ierland spelen daarbij een rol.

Dat bevestigt ook Paul Cronin van het Industrial Development Agency (IDA), de Ierse tegenhanger van de NFIA. Hij wijst er met trots op dat Ierland Europese call centers voor United Parcel Service (UPS) en American Airlines binnenhaalde. Cronin ziet Nederland maar in beperkte mate als concurrent. Het platteland van Frankrijk en de Oosteuropese landen wedijveren steeds vaker met Ierland om Amerikaanse bedrijven. De concurrentie tussen de Europese landen is op dit moment groot en neemt gaandeweg toe in agressiviteit. “De OESO heeft een werkgroep ingesteld om te zien waar dit heen gaat”, zegt Maarten van der Weijden van belastingadviseur Loyens & Volkmaars in New York.

Een paar Amerikaanse hi-techbedrijven bij wie globaal dezelfde overwegingen een rol moeten hebben gespeeld, komen toch tot verschillende keuzes. Softwaremaker Microsoft vestigde een call center van zeshonderd man in Nederland maar het hoofdkantoor zit in Ierland. Computerproducent Apple plaatste zijn hoofdkantoor in Nederland maar zette een call center op in Engeland. De grootste pc-producent ter wereld, Compaq, koos voor een hoofdkantoor in München maar heeft daarentegen een call center en een Europees distributiecentrum in Nederland.

Nederland is tot op heden altijd aantrekkelijk geweest omdat het fiscaal stabiel is. Grote bedrijven hebben een hekel aan verrassingen. Bij de keuze voor een Europese vestigingsplaats speelt stabiliteit op lange termijn in alle opzichten een grote rol. “Wetswijzigingen verminderen die stabiliteit in de ogen van de buitenlandse investeerder”, merkt Postma op. Een groot voordeel van Nederland blijft echter dat met de Nederlandse fiscus duidelijke afspraken zijn te maken over de belastingheffing. Bij gelijkblijvende omstandigheden kan een bedrijf afspraken vooraf - zogeheten advance rulings - maken, die volgens Vermeulen acht tot tien jaar geldig zijn. “We mikken op maatwerk”, zegt hij.

Die zekerheid is een enorm pluspunt. De afspraken vooraf gaan over bij voorbeeld het bedrag dat wordt binnengebracht dan wel in Nederland wordt geleend om activiteiten op te zetten. En over de prijzen waartegen bedrijfsinterne goederen en diensten van de moedermaatschappij worden geleverd. “Het is zowel voor de buitenlandse bedrijven als voor de Nederlandse fiscus van belang om vooraf zekerheid te hebben omtrent dit soort zaken”, aldus Postma van Ernst & Young. “Beiden weten vooraf waar ze aan toe zijn. Dit vermindert de kans op onenigheid in de toekomst.” De fiscale afspraken vooraf zijn een bijzondere trekker voor buitenlandse bedrijven. Dat bevestigen ook collega's van Postma bij belastingadviseur Loyens & Volkmaars.

Volgens Van der Weijden en zijn voorganger in New York, Paul Sleurink, kent Nederland die praktijk al vele jaren, wat ook een historisch argument biedt in vergelijking met landen die daar maar pas mee beginnen. Postma nuanceert de advance ruling praktijk. “Er kan niet altijd tot succesvolle afspraken worden gekomen”, zegt hij. “Soms liggen de eisen van de buitenlandse investeerder te hoog, maar ook de fiscus maakt niet altijd gebruik van de ruimte die de wet biedt en jammer genoeg bestaat in het advance ruling proces geen mogelijkheid tot arbitrage.”

De NFIA maakt deel uit van Economische Zaken, dat uiteraard zoveel mogelijk bedrijven naar Nederland wil halen. Onderhandelingen over de fiscale kant gaan via Financiën, een departement dat natuurlijk wel wil meewerken maar niet aan liefdadigheid doet. Bovendien moet het bedrijven gelijk behandelen en mag het niet aardiger zijn tegen buitenlanders dan tegen Nederlandse multinationals, die vaak ook concurrenten zijn.

Van der Weiden en Sleurink grinniken als hen wordt gevraagd over wrijving tussen departementen. “We hebben de indruk dat Economische Zaken soms stevig tegen Financiën aanduwt om mee te werken. Anderzijds moet Financiën soms op de rem trappen om het enthousiasme van Economische Zaken wat in te dammen.” Om bij de ambtenaren van Financiën begrip te kweken voor 'de andere kant', haalt Cap Vermeulen soms een delegatie naar de VS om ze met Amerikanen te laten praten. “Wij laten ze dan zien hoe wij te werk gaan en zij horen wat bedrijven hier vinden”, zegt hij. “We merken ook dat Vermeend op wensen en grieven in gaat.”

De NFIA probeert bedrijven te bewerken om naar Nederland te gaan. Ze adverteren, ze presenteren zich via Internet, sturen mailings uit, organiseren seminars en benaderen soms bedrijven via-via. Als ze serieus zijn maken ze een reis naar Nederland, waarna de Amerika-desk van de NFIA aldaar het overneemt. Aan de andere kant is er het Nederlandse bedrijfsleven in de vorm van de fiscale advieskantoren, maar ook bijvoorbeeld PTT Telecom, ingenieurskantoren, de distributiebedrijven en call center specialisten en nog vele andere organisaties die Amerikaanse bedrijven proberen te interesseren voor een vestiging in Nederland.

Volgens Postma van Ernst & Young moet in de strijd om 'rokende schoorstenen' naar Nederland te halen Nederland fiscaal gezien zijn goede positie als vestigingsplaats voor holdings niet verliezen. Zij zijn van groot belang omdat in de praktijk vaak blijkt dat na de vestiging van een holding het hoofdkantoor voor Europa volgt. Meestal worden daar de winsten van geheel Europa geaccumuleerd.

Postma: “De Nederlandse overheid heeft, in plaats van het nog verder uitwerken van haar positie in deze markt, haar aantrekkingskracht verminderd door in 1989 het roemruchte amendement-Vreugdenhil aan te nemen. Daardoor wordt in het buitenland gegenereerd inkomen dat voorheen buiten het bereik van de Nederlandse dividendbelasting viel, bij uitkering naar een ander buitenland via Nederland nu wel met een Nederlandse fiscale heffing getroffen.” Dit ondanks het feit dat die winst is behaald voordat Nederland er aan te pas kwam. Andere landen, zoals Verenigd Koninkrijk, België of Luxemburg, doen dat niet. Met name dat laatste land heeft recent met de VS een verdrag gesloten dat op het gebied van holdings aanzienlijk gunstiger is dan het verdrag tussen Nederland en de VS. “Door dit nieuwe verdrag tussen de VS en Luxemburg”, aldus Postma, “en de aanhoudende traagheid van de Amerikaanse overheid bij de uitvoering van het verdrag tussen Nederland en de VS zullen zelfs een aantal al in Nederland gevestigde houdstermaatschappijen waarschijnlijk verhuizen naar Luxemburg.”

Sleurink is het daar niet mee eens. “Luxemburg komt op dit punt pas net kijken”, zegt hij. “Nederland heeft een goede positie veroverd en die consistente regelgeving spreekt Amerikaanse bedrijven aan. Ook de Nederlandse infrastructuur op fiscaal gebied is een voordeel. Hoeveel ervaren fiscale specialisten heeft Luxemburg?” Loyens & Volkmaars heeft zelf overigens een kantoor in Luxemburg.

Ook onze kapitaalsbelasting, de heffing van 1 procent op aanwezig werkkapitaal, roept veel tegenzin op. Alleen Nederlandse bedrijven betalen nog kapitaalsbelasting. Buitenlandse bedrijven en hun dochters kunnen op basis van een aantal arresten van de Hoge Raad meestal wel een vrijstelling van de kapitaalsbelasting krijgen. De kapitaalsbelasting heeft wel een negatief effect op het in Nederland vestigen van beursfondsen. Zij kunnen in Nederland geen gebruik maken van de eerdergenoemde kapitaalsbelasting-vrijstellingen bij het uitgeven van nieuwe aandelen. Postma: “Ik ken uit mijn praktijk verschillende voorbeelden van fusiebesprekingen waarbij Nederland hoog op de lijst stond als een mogelijke locatie voor de tophoudster, maar waar de kapitaalsbelasting roet in het eten gooide.”

Staatssecretaris Vermeend heeft in april enkele wijzigingssvoorstellen gedaan met betrekking tot de fiscale behandeling van buitenlandse investeringen. Deze voorstellen, die binnenkort in de Kamer aan de orde zullen komen, zijn gemengd ontvangen. Postma: “De voorstellen die gaan over de aftrekbeperking van rente die wordt betaald aan een andere concernmaatschappij zijn complex en de wetgeving schept onzekerheid.” Bij sommige transacties bijvoorbeeld wordt de aftrek van aan concernvennootschappen betaalde rente volledig afgeschaft, tenzij de verbonden onderneming een redelijk bedrag aan belasting betaalt op de ontvangen rente.

Postma: “Hier voorzie ik een ernstige aantasting van het Nederlandse fiscale klimaat in de ogen van de Amerikanen. Want wat beschouwt de Nederlandse fiscus als redelijk?” Het effectieve tarief op uit het buitenland ontvangen rente bij een Amerikaanse multinational is in hoge mate afhankelijk van de belasting die wordt betaald in de rest van de wereld. Dit is het gevolg van het tax credit systeem dat wordt gehanteerd in de VS. “Dit tax credit systeem is zo ongelooflijk ingewikkeld dat alleen specialisten met behulp van uitgebreide software tot een antwoord kunnen komen”, zegt Postma. “Wat de Nederlandse overheid nu vraagt van de directie van Nederlandse dochters van Amerikaanse multinationals is om aan te tonen dat de Amerikaanse moeder voldoende belasting betaalt over door haar ontvangen rente.” Dit is een vraag die, nu door de staatsecretaris geen eenduidige criteria zijn aangeven, aanleiding zal geven tot onzekerheid. Nog interessanter is volgens Postma de vraag hoe Nederlandse belastinginspecteurs dit denken te gaan controleren.

Er zouden echter ook een aantal verbeteringen zijn. Zo maakt Nederland het aantrekkelijk voor buitenlandse bedrijven om in ons land een financieringsmaatschappij te vestigen die vestigingen in andere lidstaten bedient. De maatschappij mag een fiscaal aftrekbare reserve vormen en de opbrengsten van financieringsactiviteiten zijn daardoor effectief aan een lagere belasting onderworpen. Er zijn wel voorwaarden aan verbonden. Zo moet onder meer aan ten minste vier landen of twee continenten financiering zijn verstrekt. Ook mag niet meer dan tien procent van de financieringsactiviteiten op Nederland zijn gericht en dat is ook meteen een groot bezwaar. Sleurink: “Het stimuleert maar in beperkte mate activiteitengroei in Nederland zelf. Het heeft iets paradoxaals om een bedrijf te helpen de groei in bijvoorbeeld Ierland te gaan bevorderen.”

Ook Postma zet vraagtekens bij de tien-procentsregel. “Men kan zich afvragen of deze laatste eis de Nederlandse werkgelegenheid ten goede komt”, zegt hij. “Een Nederlandse multinational die met eigen middelen een fabriek wil opzetten kan gemakkelijker dan voorheen tot de conclusie komen dat het voordeliger is om naar het buitenland te gaan.” Van der Weijden en Sleurink zien wel mogelijkheden voor een combinatie van een financieringsmaatschappij met een research en development-eenheid. De patenten worden bijvoorbeeld over heel Europa gebruikt en de licenties en royalty's komen terug naar Nederland, waar ze tegen een prettig tarief worden belast.

Sommige bedrijven vestigen zich in Nederland maar bedenken zich dan en vertrekken daarna naar Ierland of een ander land. Het gebeurt dat ze daarna toch weer naar Nederland terugkomen. Zowel Postma als Vermeulen wijzen er onafhankelijk van elkaar op dat na al het overleg en alle afspraken sommige bedrijven soms ook gewoon kiezen waar ze zin in hebben. Vermeulen: “Er zijn nu eenmaal bedrijven die voor Nice in plaats van Groningen kiezen omdat de vrouw van een manager dat graag wil.”