IRT-affaire loopt met een sisser af

DEN HAAG, 2 OKT. De drievoudige crisis in de opsporing die de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden onder leiding van M. van Traa (PvdA) begin dit jaar blootlegde, is niet uitgemond in het koppensnellersballet dat politiek, burgers, justitie en politie en media hadden verwacht, gehoopt of gevreesd. De zogeheten IRT-affaire is met een sisser afgelopen.

Een meerderheid van de Tweede Kamer legt zich al voor het slotdebat over de personele consequenties van de IRT-zaak neer bij de maatregelen die de ministers Sorgdrager (Justitie) en Dijkstal (Binnenlandse Zaken) vorige week aankondigden. Geen disciplinaire maatregelen of ontslagen, wel een aantal overplaatsingen die volgens hen voldoende zijn om het vertrouwen in het opsporingsapparaat terug te krijgen.

Bijna drie jaar na de plotselinge opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht lijkt het erop dat de indrukwekkende serie onderzoeken - Wierenga, Van Traa, de rijksrecherche, Ten Kate, Ficq - zijn remmende werk heeft gedaan. IRT-moeheid of niet, de Tweede Kamer vindt dat de tijd is aangebroken voor de 'nieuwe start' in de opsporing, zoals vastgelegd in een motie van 9 mei.

Ondanks de langdurige debatten over personen heeft de Kamer zich in het verleden nooit in letterlijke bewoordingen uitgelaten over de maatregelen die Sorgdrager en Dijkstal moesten nemen. “Wij zijn geen personeelschef van het ambtelijk apparaat”, stelde het Kamerlid Kalsbeek (PvdA). De opdracht luidde dat het vertrouwen in politie en justitie moest worden hersteld.

Met de overplaatsingen van de Haarlemse korpschef Straver naar het korps Hollands Midden, Wiarda naar Den Haag en een aantal betrokken IRT-officieren vinden Dijkstal en Sorgdrager dat zij het maximale hebben gedaan. Berispingen vonden zij na alle publiciteit voor de hoofdrolspelers niet meer op hun plaats, voor ontslagen was ambtenaarrechtelijk geen ruimte. Bovendien waren de fouten die zijn gemaakt niet van dien aard dat ontslagen gerechtvaardigd waren, zei minister Sorgdrager. Over het uitblijven van berispingen zal zij de Kamer nog uitleg moeten geven.

De enige 'betrokkene' die met een kater lijkt achter te blijven is het Kamerlid Van Traa. Op één gevoelig punt heeft de voormalige voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden niet zijn zin gekregen. De personele maatregelen die Sorgdrager en Dijkstal verbinden aan de door Van Traa gesignaleerde 'crisis in de opsporing' gaan hem niet ver genoeg. Hij belegde vorige week een persconferentie waarin hij opnieuw zei dat 'de zaak' niet was opgelost met het vertrek van één procureur-generaal. Hij doelde daarmee op de voormalige Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck, die het openbaar ministerie een jaar geleden met een gouden handdruk vaarwel zei.

De houding van Van Traa wekt irritatie op onder collega-Kamerleden, die menen dat de oud-voorzitter maar geen afscheid kan nemen van de dagen waarin hij het Nederlandse televisiebeeld bepaalde. Van Traa, die geen namen wenst te noemen en ook niet wil onthullen wat in zijn ogen met de IRT-betrokkenen had moeten gebeuren, had bij de presentatie van zijn eindrapport, op 1 februari nog gezegd: “Wij zijn geen crisis-managers. Wij leveren feiten en beoordelingen. Het is niet aan ons te zeggen wie er wat anders moet gaan doen. Dat is aan de politiek verantwoordelijken.”

De IRT-affaire kostte uiteindelijk twee ministers het hoofd. Oud-minister Hirsch Ballin van Justitie en zijn collega op Binnenlandse Zaken, Van Thijn, moesten het veld ruimen omdat zij in 1994 de tumultueuze 'afloop' van de affaire verkeerd inschatten. Minister Sorgdrager leek vorig jaar het derde politieke slachtoffer te worden, maar overleefde het debat over de gouden handdruk van haar oud-collega, procureur-generaal Van Randwijck.

Sorgdragers 'schoonmaak' in de ambtelijke top van haar ministerie, eind vorig jaar, gaf de Kamer het beeld van een minister die kordaat kan optreden in tijden van crises. Vervolgens kondigde zij aan de betrokkenheid van een aantal hoofdrolspelers bij de IRT-affaire te laten onderzoeken door procureur-generaal Ficq. De rol die zij zelf had gespeeld in de vergadering van PG's ten tijde van de affaire werd overigens niet onderzocht.

Minister Dijkstal, die als Kamerlid om de enquête had gevraagd, raakte pas in een veel later stadium in de problemen. De Kamer vond bij het debat over het rapport-Van Traa, in mei, dat hij te gemakkelijk had geconcludeerd dat de rechtspositie van een korpschef als Straver hem belette maatregelen te nemen. Op aandringen van de Kamer trachtte hij een grootscheepse carrousel op gang te brengen die uiteindelijk resulteerde in de overplaatsing van Straver en Wiarda - beiden naar een groter korps.

Sorgdrager en Dijkstal hebben geen straffen uitgedeeld, maar zullen in de toekomst met name hoge functionarissen bij politie en justitie meer aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen sneller laten rouleren.