Eerste lange speelfilm van Paula van der Oest is een klein wonder; De ontdekking van de strippenkaart

De nieuwe moeder. Regie: Paula van der Oest. Met: Janis Reinis, Arys Adamsons, Geert de Jong, Hannah van Lunteren. In 7 theaters.

Het gebeurt zelden dat over een Nederlandse speelfilm de meningen zo sterk en hartstochtelijk verdeeld zijn als over De nieuwe moeder, de eerste lange speelfilm voor de bioscoop van Paula van der Oest (Laag Soeren, 1965). Flinke bijval ondervond de film tot nu toe uit het buitenland: de wereldpremière vond vorige maand plaats tijdens het festival van Venetië en een paar weken later werd bekend dat De nieuwe moeder genomineerd is voor de Felix, de belangrijkste Europese filmprijs. Een Amerikaanse 'evaluator' van het televisiekanaal HBO, die zich tijdens het Nederlands Filmfestival enkele recente speelfilms liet vertonen, zag de meeste mogelijkheden in Van der Oests film, omdat die sterke personages bevat en een klassieke dramatische situatie, waarmee iedereen zich kan identificeren: die van de buitenstaander in een vreemde omgeving, waarvan hij de regels niet begrijpt.

Na afloop van de festivalopening afgelopen woensdag met De nieuwe moeder viel naast veel bewondering en ontroering ook de kritiek te beluisteren dat de film te veel clichés bevat en te simpel-schematisch van opzet zou zijn. Een meerderheid, zelfs onder de liefhebbers van de film, lijkt af te haken bij een nu al geruchtmakende scène tegen het slot, waarin Geert de Jong als een logge, 46-jarige huismoeder met gefnuikte balletambities eindelijk het Zwanenmeer danst in haar huiskamer, begeleid op de piano door de Letse leeftijdgenoot, met wie ze als kind jarenlang correspondeerde. Het is een groteske scène, die balanceert op de rand van de goede smaak, maar wat mij betreft het bewijs dat Van der Oest niet alleen risico durft te nemen, maar ook in zo'n brutaal hoogstandje controle weet te behouden. Wie zich ergert aan de clichés over Nederland, ziet wellicht over het hoofd dat de systematische inventarisering van de absurditeiten in een dolgedraaide welvaartsstaat bewust zo is gecomponeerd. Per slot van rekening is De nieuwe moeder een road movie, waarin we door de ogen van een Letse vader en zijn zoontje van een jaar of tien alles voor het eerst zien: een bitterbal op een cocktailprikker, stadswachten in een Zwolse autovrije winkelstraat, een drive-in woning met bootje, een strippenkaart, een politiecel van formica, verlaten douaneposten en verstelbare douchekoppen. Op zeker moment krijgt het jongetje een afstandsbediening in handen gestopt, kijkt er even naar en legt hem weer neer, zonder te doorgronden welke mogelijkheden het ding biedt. De nieuwe moeder is, onder veel meer, een film over verbaasde blikken, over kijken en niet begrijpen.

Van der Oest en haar co-scenarist Stan Lapinski houden ons in de glazige blik van de buitenstaanders een spiegel voor. Hun beleefdheid en bescheidenheid wekken agressie op. 'Kun je het goed zien?'', roepen een paar tienermeisjes in bikini de vader toe, wanneer hij vol bewondering naar ze kijkt.

Het is maar een van de lagen in de film, die ook zeer adequaat en subtiel de mentaliteitsgeschiedenis van de laatste vijfendertig jaar in het verhaal betrekt. Vader en zoon zijn na de dood van de moeder naar Holland gekomen, omdat het kind een nieuwe moeder nodig heeft en vader daar iemand kent. Tijdens de reis klinken op de geluidsband de brieven die Marie tussen 1960 en 1969 naar Riga stuurde. In zorgvuldig gekozen, precies bij de tijd passende bewoordingen, ontwikkelt zij zich daarin van gelovig Limburgs meisje via maatschappijkritische rebel en communebewoonster tot gedesillusioneerde echtgenote van een materialistisch ingestelde zakenman. Op deze wijze onderzoekt Van der Oest wat de generatie vóór haar bewoog, wat er terecht is gekomen van hun idealen en wat de morele vragen van de jaren negentig dan wel mogen zijn. Met fijne ironie verwijst ook die geschiedenis steeds naar het Oostblok: de utopie van linkse activisten uit de jaren zeventig, een concurrentie-nachtmerrie voor een handelaar in wegwerpservies uit de jaren negentig.

Tegendraadse humor, een fijnzinnig gevoel voor de beweegredenen van gewone Nederlanders die je zelden in een speelfilm tegenkomt en een origineel gevoel voor filmische vormgeving zijn maar enkele van de troeven van Van der Oest, die zich na enkele bekroonde televisiefilms nu al een echte auteur mag noemen. Ze is briljant in het regisseren van acteurs, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de zeer overtuigende rol van de vijftienjarige Hannah van Lunteren als de labiele, maar emotioneel loepzuivere tienerdochter van De Jong.

De belangrijkste kwaliteit van Van der Oest is echter de vaste hand waarmee ze thema's, motieven, emoties en gedachten vorm weet te geven, in een zelden falend gevoel voor proporties en dosering. Het feit dat ze bij al haar korte films tot nu toe dezelfde technische medewerkers, voorop cameravrouw Brigit Hillenius, om zich heen wist te houden, is een deel van de verklaring van dit kleine wonder: een zinnige, gedurfde, en toch uitgebalanceerde Nederlandse speelfilm die ontroert en aan het denken zet.