Eenzame beelden van Reis geven zich niet

Tentoonstelling: Pedro Cabrita Reis. In: De Appel, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. Di t/m zo 12-17u. T/m 13 oktober.

Zoals iedereen weet kunnen voorwerpen heel zielig zijn. Dat geldt niet alleen gekneusde teddyberen of gebroken kurkentrekkers, ook een boom, een struik of een kruis op de top van een berg kan treurnis oproepen. De kunsthistoricus John Ruskin bedacht daar ooit de term pathetic fallacy voor: het toekennen van menselijke emoties aan objecten. Hij had daarbij vooral de eenzame bomen en kruizen op schilderijen als die van Caspar David Friedrich op het oog. Het zal wel niet voor niets zijn dat de monniken op sommige schilderijen van Friedrich net kleine boompjes lijken - ze lijden aan een eenzaamheid waarmee je je eenvoudig kunt identificeren.

Wie de tentoonstelling van de Portugese kunstenaar Pedro Cabrita Reis in De Appel ziet, merkt dat voorwerpen ook op een andere manier eenzaam kunnen zijn: als ze door de mensen zijn achtergelaten. Het gevoel dat opkomt als je per ongeluk op een podium terecht komt waar niet wordt gespeeld, terwijl de rekwisieten er nog staan - dat daar eigenlijk mensen bijhoren.

De installaties van Cabrita Reis zien er vaak nogal theatraal uit - als ze er al niet nadrukkelijk eenzaamheid suggereren, dan bieden ze wel overvloedige mogelijkheid tot identificatie. Neem Mijn ouders hebben me gegeven wat ze hadden....: twee tafels, achter elkaar, gevormd door metalen staanders waaroverheen ruwhouten balken liggen. Daaronder, op de grond, liggen twee matglazen platen op balkjes. Op de ene plaat staat, op een dikke doek, een zwart pannetje, op de andere twee oud-bruine ladendozen. Boven beide hangt, net naast het midden, een schemerig lampje, dat een soort theaterspot vormt. Zelden heb ik zo'n zielig pannetje gezien - het ziet er verlaten uit, en staat erbij alsof het al stiekem geprobeerd heeft van het podium af te kruipen. Cabrita Reis is erg vaardig in het oproepen van dat soort associaties, maar af en toe ook nogal gemakzuchtig. Zo ligt op de verder sobere installatie Echo der Welt I (een soort Robinson Crusoë-hut zonder muren, inclusief afgebroken palen en jute zakken), op een gammele tafel, een eenzame verdroogde roos. Dat is zo ongeveer het ultieme pathetische cliché, en relativering wordt nergens zichtbaar.

Reis gebruikt graag sobere materialen als ruw hout, gips en stenen, waarbij je de geschiedenis als het ware cadeau krijgt. Daar voegt hij wel een eigen merkteken aan toe: in bijna al zijn beelden worden de losse onderdelen met elkaar verbonden door buizen of slangen. Overal hangen of steken ze uit, van koper, rubber, of plastic; als er elektriciteit in een werk zit, kronkelt het snoer zich pontificaal een weg naar de lichtbron. Het lijkt daardoor of Reis' installaties aan het infuus liggen, of ze zonder voeding van buitenaf niet in leven kunnen blijven.

In zijn materiaalgebruik en theatraliteit doet het werk van Reis vaak denken aan dat van Joseph Beuys. Neem bijvoorbeeld O meu corpo (Mijn lichaam), het simpelste beeld op de tentoonstelling, dat bestaat uit een console van twee plankjes, met daarop een lap vilt, die naar binnen is opgerold. Je hebt er de catalogus voor nodig om te weten dat er in dat vilt nog een potloodtekening zit gerold. Als je dat leest voel je je belazerd - zelfs het lichaam van de kunstenaar, dat je toch associeert met buitenkant en doorgrondelijke uiterlijkheid, is blijkbaar iets dat geheimen wil suggereren, dat verborgen moet blijven. En zo is het wel vaker met de installaties van Cabrita Reis: ze doen net of ze zich geven en of je als toeschouwer aanwezig moet zijn om ze af te ronden. Dat blijkt koketterie: de werken beloven veel (verwijzingen naar Beuys, naar theater, eenzaamheid, de kunstenaar zelf), maar blijven ze behaagziek op een afstand. Reis' beelden zijn mooi, maar hautain; ze verleiden je, maar geven niks terug.