Deelname aan vredesoperaties moet blijven

Er dreigt een sluipende renationalisering van het Nederlandse defensie- en veiligheidsbeleid. Een jaar ná onze kater in Joegoslavië en een paar weken na het vertrek van de laatste dienstplichtigen uit de krijgsmacht spreken velen zich impliciet of expliciet uit voor een beleid waarbij de verdediging van Nederland of het NAVO-grondgebied in plaats van vredes- of humanitaire operaties centraal staat.

En dat terwijl de vorming van een vrijwilligersleger juist was bedoeld om de inzet voor vredesbewarende taken juist ook buiten het Atlantisch bondgenootschap gemakkelijker te maken.

Mijn stelling zie ik op een aantal plaatsen bevestigd. Minister Voorhoeve van stelde deze zomer in een interview dat Nederland minder bereidwillig is om bijdragen te leveren aan VN-vredesoperaties. “We hebben de afgelopen tijd herhaalde malen negatief gereageerd op verzoeken uit New York om aan verschillende vredesoperaties deel te nemen”, zegt hij. Voorhoeve noemt dan het niet ter beschikking stellen van helikopterdetachementen voor Angola of Haïti als voorbeelden van deze houding. Hij stelt tenslotte: “het signaal dat we ons sinds Srebrenica terughoudender opstellen is duidelijk overgekomen bij secretaris-generaal Boutros Ghali van de VN”.

Directeur Van Staden van Instituut Clingendael, riep dit voorjaar Nederland op “een keer nee te zeggen tegen vredesoperaties”. Weliswaar met als doel een betere onderhandelingspositie op te bouwen bij het opeisen van een passende vertegenwoordiging in de besluitvorming, maar het signaal is toch dat Nederland 'niet langer het beste jongetje in de klas moet willen spelen'.

En dan kopte het weekblad Elsevier onlangs: 'Halveer de krijgsmacht en blijf voortaan thuis' als aanbeveling aan het kabinet om de krijgsmacht tot nationale taken te beperken. Het vrijgevallen geld kan worden ingezet voor politie en justitie.

Afgezien van de nobele bestemming van dit geld is het een absurd idee, dat haaks staat op het Nederlandse beleid sinds begin jaren negentig. De motivering van de Elsevier-redacteur voor 'thuisblijven is het devies' is dat Nederland het stichten en bewaren van vrede overzee maar moet overlaten aan landen die groot genoeg zijn om zelfstandig over het inzetten van hun krijgsmacht te beslissen. Een wonderlijke redenering omdat zowel in NAVO-verband bij de bondgenootschappelijke verdediging als in VN-kader bij vredesoperaties een gecoördineerde multinationale inzet het leidend beginsel is, met wat betreft de VN slechts één uitzondering: het altijd bestaande recht je troepen uit een operatie terug te trekken.

Van Staden heeft gelijk waar hij aangeeft dat Nederland een grotere rol moet krijgen bij besluitvorming over vredesoperaties. Wie betaalt met soldaten en, in het uiterste, onverhoopte geval soldatenlevens, bepaalt. Dat is overigens volmondig door de regering erkend, en Van Mierlo heeft daar - met succes - hard aan gewerkt. Zo is Nederland nu beter dan vroeger vertegenwoordigd in diverse vormen van (troepen)overleg over operaties.

Veel belangrijker naar mijn oordeel is echter dat de Nederlandse houding zich moet kenmerken door betrokkenheid bij de internationale rechtsorde. Een jarenlange pauze bij het aangaan van internationale verplichtingen past ons niet. Niet voor niets heeft Nederland een naam hoog te houden bij de verdediging van de internationale rechtsorde. Bovendien hebben dan de mensen die kritisch wijzen op miljardeninvesteringen in onze vernieuwde, flexibele en multi-inzetbare krijgsmacht een punt.

Srebrenica, welk boek nog lang niet 'af' is, mag niet leiden tot een lamleggende frustratie of gebrek aan engagement. Idealisme dus, hoe besmet dat woord mag lijken, en geen nationalisme. Het is veel veel beter de discussie vooral te richten op de voorwaarden waaronder inzet van Nederlandse (en andere) militairen het meest effectief is om het gestelde doel te bereiken. Dan denk ik aan de soorten militairen en de aard van de middelen die het beste aansluiten bij de behoefte en vraag, de omschrijving van het mandaat van een operatie, maar ook de multinationale opzet in VN- of ander verband. Want één les is onomstotelijk uit Srebrenica te trekken: de VN moet zich niet overtillen.

Daarom vind ik het relevant om te denken over en te werken aan een meer effectieve opzet van internationale operaties. Dit zou kunnen in de vorm van coalities van landen die willen en kunnen meedoen onder NAVO-commando (of te zijner tijd een Afrikaanse variant daarop), of in de vorm van beter georganiseerde eenheden in VN-verband. Zo'n discussie met die prioriteit is relevanter dan ons te laten verleiden door de nieuwe mode van afzijdigheid. Zo'n houding van verantwoord engagement sluit beter aan bij het gevoelen van Jos de Beus onlangs op deze pagina dat solidariteit en betrokkenheid in Nederland niet verdwenen zijn maar een betere organisatie van de internationale rechtsorde vereisen.

Waar is de tijd gebleven dat Joris Voorhoeve, zoals in juni 1995 in New York pleitte, voor het recht op humanitaire interventie onder meer als sprake is van genocide? Nu dekt hij zich in tegen kritiek op eigen Nederlands optreden tijdens 'Srebrenica' door alle blaam op de VN te wentelen, en eist Bolkestein in de Tweede Kamer bij de Algemene Beschouwingen het niet herbenoemen van de secretaris-generaal van de VN, Boutros Ghali.

Het kleine Nederland waarschuwt de VN voor de laatste maal. Zou het niet de voorkeur verdienen de oude traditie van Nederland als kritisch, maar loyaal VN-lid te hervatten?