Morele rechtvaardiging van de moraal bestaat niet

De bijdrage van Cliteur maakt op een heldere manier korte metten ten aanzien van het verband tussen godsdienst en moraal. Het feit dat God iets beloont of straft, of alleen maar vindt, is op zich geen enkel argument om ons daar dan maar bij aan te sluiten. Beloning of straf maken iets niet 'goed'. Daar lijkt weinig tegen in te brengen.

Toch zijn er bezwaren tegen die redenering. Ten eerste bestaat het antwoord naar de rechtvaardiging van de moraal helemaal niet. Het is zoiets als naar het vragen naar het begin van de tijd, of het eind van het heelal. De moraal betreft normatieve uitspraken: dit is goed en dient men te doen of na te streven, dat niet, etcetera. Jan mag Piet niet doodschieten. Waarom niet? Doden mag niet. Waarom niet? Het is slecht. Waarom? Tsja. Dan zit je al vast.

We kunnen nog een zwakke poging doen met: Iedereen dient het algemeen belang te dienen, en doden is niet in het algemeen belang. Maar dan komt de vraag: Waaróm moet iedereen het algemeen belang dienen? Kortom, je kunt alleen een moraal rechtvaardigen met een andere moraal - en hoe weet je dan dat die goed is? Waar baseer je dat op? Zo zijn we weer terug bij af. Het antwoord op de vraag naar de morele rechtvaardiging van de moraal kan niet gegeven worden omdat het niet bestaat.

Als hoogleraar filosofie weet Cliteur dat natuurlijk ook. Maar in zijn artikel doet hij net of hij het wél kan, alsof hij wel een moreel oordeel heeft dat geen verdere rechtvaardiging betreft. En dat is natuurlijk een beetje flauw. Hij stelt bijvoorbeeld: “Een handeling die wordt verricht met het oog op beloning is zedelijk niet van waarde”, en “wie zich gedraagt uit angst voor straf handelt moreel niet erg hoogstaand”. Hij geeft hier een moreel oordeel: niet van waarde, niet hoogstaand. Weliswaar lijkt zijn oordeel in eerste instantie voor de hand liggend, we willen toch wel graag weten waarop hij dat baseert. Op zijn eigen moraal? Of op een meer algemene morele overweging?

Bovendien kunnen we de vraag opwerpen: kan iets niet 'goed' zijn ook al doe je het uit angst voor straf? Als ik mijn hele vermogen aan moeder Theresa geef uit angst voor de hel, is het dan - op zich - geen goede daad? Het heeft misschien minder verdienste, maar kun je zeggen dat het niet 'goed' is? En bovendien, is het niet zo dat onze morele normen, tenminste voor een heel groot deel, ontstaan door beloning en straf tijdens onze opvoeding door ouders en maatschappij? Een heleboel gedragspsychologen zijn die mening toegedaan.

Daarmee ben ik het niet oneens met de conclusie van Cliteur dat de publieke moraal heel goed zonder God kan. Maar hij toont niet aan dat er iets fundamenteel mis is met een moraal die zich wél baseert op God. Ik kan hem dat natuurlijk ook niet kwalijk nemen. Ik heb immers net betoogd dat de morele rechtvaardiging (of het gebrek daaraan) van een moraal niet gegeven kan worden.

Het tweede bezwaar tegen de redenering van Cliteur is dat hij het verband tussen godsdienst en moraal uitsluitend verklaart in termen van: onderwerping aan Gods wil uit angst voor straf of hoop op beloning of puur en alleen omdat God het wil. Ik denk dat er een heleboel gelovigen zijn bij wie dat zo niet werkt. Een goede religie biedt meer.

De meeste mensen zijn op zoek naar een vorm van voldoening, geluk of vrede die zij in het normale, dagelijks leven niet vinden. Het christendom claimt nu, dat je die kunt vinden door je medemensen lief te hebben en goed voor ze te zijn, en bovendien te bidden, deel te nemen aan bepaalde rituelen, etcetera. Het gaat daarbij om een verandering in de mens zelf. Bezit en succes worden minder belangrijk, het geluk van de ander wordt een voorwaarde voor dat van jezelf. Je moet je vijanden lief hebben, niet alleen maar omdat God het zegt en ook niet, omdat die vijanden zo zielig zijn, maar om een beter mens te worden, geestelijk op een hoger plan, met een rijkere geest. Die instelling, zegt de religie, is het beste waar je voor kiezen kunt. De tien geboden zijn geen strenge wetten met vreselijke sancties, het zijn adviezen die je de weg wijzen. De 'geestelijke' (de pastoor e.d.) dient op te treden als adviseur voor onze geestelijke ontwikkeling.

Deze 'interpretatie' staat een stuk steviger tegenover de kritiek van Cliteur. De morele hoogstaandheid of zedelijke waarde kunnen moeilijk worden aangevochten. Alleen hebben we het hier meer over een persoonlijke moraal en niet zozeer over de publieke moraal. Het is ten slotte een erg persoonlijke aangelegenheid of en hoe iemand zich bezig houdt met zijn of haar geestelijke ontwikkeling. Bovendien is het maar de vraag hoeveel mensen te overtuigen zijn van deze religieuze claim. Je moet erin geloven. Doe je dat, dan is het logisch dat de religie de grondslag van je moraal is. Doe je dat niet dan heb je er uiteraard niets aan. Je kunt trouwens heel goed in het 'geluk door middel van religie' geloven zonder in de christelijke God te geloven. Denk bijvoorbeeld aan het boeddhisme. Christenen kunnen andere, veel betere redenen hebben om christelijke morele voorschriften te volgen dan straf of beloning van God.

Kortom, indien we de vraag naar de basis van een moraal opvatten als een vraag naar de morele rechtvaardiging ervan, lopen we vast. Het antwoord kan niet bestaan, want ieder antwoord vraagt weer een nieuwe rechtvaardiging.

Vatten we de vraag op in de zin van: kan het christendom een goede basis voor onze moraal zijn, dan lijkt mij het antwoord: ja. De christelijke belofte van geluk en vrede door je medemensen lief te hebben is een belangrijker inspiratiebron dan de straf en beloning van God.

Gaat het om de vraag of de publieke moraal niet ook zonder God kan, dan moet het antwoord ook ja zijn, omdat er geen morele gronden kunnen zijn waarom het níet zou kunnen.