Moraal en moreel verschillen hemelsbreed

Wat kost het P.B. Cliteur toch een moeite om ongelijk te bekennen. In NRC Handelsblad van 20 september haspelt hij in zijn antwoord aan J.L. Heldring feitelijkheid en normativiteit voortdurend door elkaar.

Heldring had het probleem aan de orde gesteld dat het christendom de bron is van de moraal. Dat is een feitelijke stelling, die alleen met feitelijke argumenten kan worden bestreden. Cliteur maakte er een normatieve stelling van: Heldring zal wel bedoeld hebben dat hij het christelijk geloof aanprijst.

Welnu, dat deed Heldring niet en dat is heel goed voorstelbaar, want zijn stelling is gewoon juist. Als atheïst vindt Cliteur dat niet leuk, en dat verwoordt hij als volgt. “Alle pogingen tot koppeling ten spijt, godsdienst en moraal hebben dus principieel niets met elkaar te maken. [Onjuist, maar daarover straks - G.M.] Als het dan ook juist is [...] dat godsdienst feitelijk tweeduizend jaar invloed heeft gehad op onze moraal, dan hebben we het tweeduizend jaar lang verkeerd gedaan”.

Weer diezelfde denkfout die Heldring Cliteur meer dan eens onder de neus wreef: het oordeel dat iets verkeerd is gedaan is een normatief oordeel, dat niet kan worden ingebracht tegen de feitelijkheid van een bepaald verband. Het is onzinnig te zeggen dat het verkeerd is dat het in Nederland meer regent dan in Egypte. Je kunt dat wel onaangenaam vinden, maar niet verkeerd.

Het verband in de kop boven Cliteurs artikel ('Een publieke moraal kan heel goed zonder God') moet anders worden gelegd: Kan een moraal zonder godsdienst of levensbeschouwing? (Ik laat hier het bijvoeglijk naamwoord 'publiek' weg, want een publieke moraal is een 'meta-moraal', namelijk een sociale gedragscode om het mogelijk te maken dat mensen met verschillende moralen en culturen in vrede naast elkaar en met elkaar leven.)

Er is mij geen filosoof bekend die het verband tussen enerzijds geloof en levensbeschouwing (bijvoorbeeld het atheïstisch humanisme van Cliteur) en anderzijds een bij dat geloof of levensbeschouwing passende private moraal ontkent. Ik weet ook niet of Cliteur dat wel zou doen, want zijn betoog is hier zeer onduidelijk.

Cliteur bedenkt drie mogelijkheden om godsgeloof aan moraal te koppelen, namelijk beloning, sanctie en grondslag, maar hij vergeet de belangrijkste: de motivatie om moreel te handelen. En dat is weer het gevolg van het feit dat hij (1) moraal als een brok gegeven werkelijkheid lijkt te beschouwen en (2) moraal en moreel handelen niet voldoende van elkaar onderscheidt.

1. Moraal bestaat niet zoals een hemellichaam bestaat en zelfs niet zoals een wet bestaat. Moraal bestaat in de voorstellingen die mensen hebben van goed en kwaad. Moraalcodes (de neerslag van voorstellingen van goed en kwaad die gemeengoed zijn geworden) veranderen als die voorstellingen veranderen. Als inderdaad steeds minder mensen in Nederland nog in God geloven, verandert niet alleen hun geloof in een geseculariseerde levensbeschouwing, maar ook hun christelijke moraal in een geseculariseerde moraal.

Hoe complex en moeilijk uit te tekenen ook, er bestaat altijd een feitelijk verband tussen ontkerkelijking en verandering van moraal. Een voorbeeld vormt het verband tussen verlies aan godsgeloof en de opkomst van een geseculariseerde onderhandelingsmoraal. Verlies aan geloof betekent dus niet verlies aan moraal, maar verlies aan bepaalde moraalopvattingen en opkomst van andere moraalopvattingen.

2. Vervolgens moet een zorgvuldig onderscheid worden gemaakt tussen moraal (dus de voorstelling die iemand heeft van goed en kwaad) en de bereidheid om moreel te handelen. Dat is een klassiek filosofisch thema: het verband tussen de kennis van goed en kwaad en de wil om het goede te doen en het kwade te laten. Hoe ook het goede en kwade worden ingevuld, dit verband bestaat altijd. Een christen zegt: mijn wil om het goede te doen en het kwade te laten wordt door God bepaald. Hij slaagt er zeer ten dele in overeenkomstig te handelen en hij zal zijn falen dan ook als zonde zien.

Maar er is nog iets meer aan de hand. De redenering moet niet worden opgezet bij het bestaan van God, maar bij het geloof in God. Iemand die in God gelooft, gelooft dat Hij bestaat, anders weet hij niet waarover hij het heeft. Maar geloof in God is geen bewijs dat Hij bestaat. Omgekeerd kan iemand die meent dat God niet bestaat, niet in Hem geloven. Ook deze mening is geen bewijs, maar nu geen bewijs dat God niet bestaat.

Omdat we over het bestaan van God geen uitsluitsel kunnen krijgen, zit er niets anders op dan het verband te leggen tussen geloof, respectievelijk ongeloof en de wil het goede te doen. Principieel is het voor een gelovige onmogelijk om te zeggen: ik geloof in God, maar ik weiger te doen wat Hij wil.

Tussen godsgeloof en moreel handelen ligt een intrinsiek verband. Daarmee is helemaal niet gezegd dat ongeloof tot moreel verval leidt of dat een atheïst geen redenen kan hebben om moreel te handelen. Dat probleem wordt reeds in de bijbel aan de orde gesteld.

Als Cliteur zegt dat er geen principieel verband bestaat tussen godsdienst en moraal mist hij echter het eigenlijke punt. Waarschijnlijk bedoelt hij te zeggen dat wij in een geweldige culturele verandering zitten die hierin bestaat dat in het Westen de dominantie van het christendom aan het verdwijnen is en dat er daarom iets anders gevonden moet worden dan een beroep op godsgeloof om mensen tot het doen van het goede te bewegen. Dat andere ziet hij in de mensenrechten.

Maar die mensenrechten zijn ingebed in een bepaalde premorele levensbeschouwing, namelijk dat de mens zichzelf tot wet is. Cliteur legt hier een inclusief verband tussen zijn atheïstische levensbeschouwing en een moraal van mensenrechten. Logisch en zakelijk is dat in orde. Maar ook gelovigen kunnen met mensenrechten instemmen; ze doen dat slechts op een andere manier dan atheïsten.

Het is dus niet zo dat een atheïstische moraal een christelijke vervangt, maar dat díe elementen uit de verschillende deelmoralen waarmee allen vanuit hun geloof of levensbeschouwing kunnen instemmen, tot publieke moraal kan worden verheven. Publieke moraal overkoepelt niet alleen die deelmoralen, maar wordt er ook door gedragen. Dat heet pluraliteit in moraal.

Om te voorkomen dat pluraliteit in moraal op relativisme of nihilisme uitloopt, kunnen gelovigen zich op Gods wet beroepen, die naar hun oordeel objectieve normen stelt. Cliteur beroept zich daarvoor op mensenrechten. Formeel is dat hetzelfde, inhoudelijk anders, met name omdat gelovigen het gezag van mensenrechten als een afgeleid gezag zullen beschouwen en ongelovigen als een ultiem gezag. Dat belet beiden niet het over de inhoud van de mensenrechten aardig eens te zijn.

Een laatste opmerking over een verband tussen geloof/levensbeschouwing enerzijds en moreel nihilisme anderzijds. Het is voor gelovigen onmogelijk het nihilisme aan te hangen, daar godsgeloof nihilisme uitsluit (gelovigen kunnen zich wel als nihilisten gedragen, maar dan zijn ze inconsequent). Het atheïsme sluit echter geen nihilisme uit (waarmee niet gezegd is dat een atheïst noodzakelijk een nihilist is). Ook feitelijk sluit atheïsme geen nihilisme uit.

Om deze onaangename mogelijkheid te elimineren switcht Cliteur voortdurend van feitelijkheid naar normativiteit en terug. Hij bezweert de feitelijke mogelijkheid dat atheïsme tot nihilisme vervalt door te zeggen dat dat niet mag. Maar hij kan moeilijk ontkennen dat de mogelijkheid bestaat. Daarom is zijn opmerking aan het slot dat hij anderen niet de mogelijkheid wil onthouden om in God te geloven (het moest er nog bijkomen!), maar dat hij de moraal wil “bevrijden van een verontreinigende factor die ons duizenden jaren parten heeft gespeeld” niet alleen beledigend voor gelovigen, maar ook dom.