Imago Turkije in Westen onder nieuw bewind verslechterd

Morgen gaat de fundamentalistische premier van Turkije, Erbakan, weer op reis, onder andere naar Libië. Het bezoek aan Libië - een land dat terreur ondersteunt - stuit op breed verzet. Toch vaart Turkije geen nieuwe koers.

ANKARA, 1 OKT. Sinds het aan de macht komen van de moslim-fundamentalistische Welvaartspartij, enkele maanden geleden, is het imago van Turkije met name in het Westen verslechterd. Maar dat is eerder het gevolg van het optreden van de minister van buitenlandse zaken en vice-premier Tansu Çiller dan van een nieuwe buitenlandse koers van Turkije onder Necmettin Erbakan als premier.

Dat is de gezamenlijke indruk van Westerse diplomaten en Turkse politieke waarnemers in Ankara. Zij vinden elkaar in de stelling dat er vooralsnog slechts sprake is van een verschil in toon. Het traditionele Turkse buitenlandse beleid richt zich op een verdere integratie van Turkije in het Westen. Die politieke lijn volgen ook de huidige coalitiepartners, de Welvaartspartij van Erbakan en de conservatieve Partij van het Juiste Pad (DYP) van Çiller. Met dit verschil dat het eenzijdige karakter van dat beleid nu wordt doorbroken: Turkije richt eveneens de blik op de islamitische wereld. Erbakan bracht zijn eerste buitenlandse bezoeken in augustus aan (overwegend) islamitische landen: Iran, Pakistan, Maleisië en Indonesië. Morgen vertrekt hij naar Afrika, waar hij Egypte, Libië en Nigeria aandoet.

De algemene indruk is dat aan deze reizen geen dramatische conclusies moeten worden verbonden: ze hebben vooral tot doel om zijn islamitische achterban tevreden te stellen, zonder dat het tot wezenlijk nieuwe relaties leidt. Erbakan laat daarbij tevens de economische belangen van Turkije wegen. Zo sloot hij in Iran een gigantisch contract voor de levering aan Turkije van aardgas af. Datzelfde onderwerp brengt hem naar Nigeria. Europese diplomaten verwachten dat Erbakan op zijn derde buitenlandse reis, later dit jaar, Europa, waaronder Frankrijk en Duitsland, en de VS zal aandoen. “Dat had ook niet eerder gekund”, aldus de ambassadeur van een Westers land in Ankara, “omdat geen van deze landen stond te popelen om direct na het aantreden van Erbakan de banden met de fundamentalisten in Turkije aan te halen.”

Voor Turkije zijn de contacten met de islamitische wereld, zowel op het politieke als op het economische vlak, complementair aan de betrekkingen met het Westen. Vertegenwoordigers van de islamitische en de wereldlijke pers in Turkije verwachten dat dat met de fundamentalisten in de regering in de toekomst ook zo zal blijven. Voor een radicale wijziging zijn alleen al de handelsbanden met vooral Europa te sterk.

De Turkse handelsbalans met de landen van de Europese Unie (EU) is in de afgelopen twee jaren van 20 tot 30 miljard dollar gestegen. Dat wordt als een direct resultaat gezien van voorbereidingen voor de douane-unie tussen Ankara en Brussel, die op 1 januari van kracht is geworden. Van de buitenlandse investeringen in Turkije, die de afgelopen maanden weer zijn aangetrokken, is 70 procent afkomstig uit EU-landen. De douane-unie wordt tevens aangemerkt als een locomotief voor niet alleen verdere economische banden maar ook voor de politieke en sociale integratie van Turkije in Europa. De douane-unie werd in Ankara tot nu toe aangemerkt als een opstap voor het volledige lidmaatschap van Turkije in de EU, waartoe het land in 1987 al een aanvraag indiende in Brussel.

EU-functionarissen menen dat met het aan de macht komen van de Welvaartspartij in Turkije dat laatste beeld nu enigszins aan het verschuiven is. “Je ziet een tweedeling op dat vlak in de coalitieregering”, aldus EU-ambassadeur Michael Lake in Ankara. “Terwijl de partij van mevrouw Çiller nog steeds een sterke aanhanger is van dat idee, wordt in de Welvaartspartij op geen enkele manier aangedrongen op een volledig lidmaatschap van Turkije van de EU.” Volgens Lake moet dat niet als dramatisch of negatief worden gezien. “Turkije heeft tijd nodig om de douane-unie te consolideren, als ook op het politieke en sociale de hervormingen tot stand te brengen die nodig zijn voor een verdere integratie in Europa.” Lake meent dat bezorgheid pas op haar plaats zou zijn geweest als de fundamentalisten aan de macht waren gekomen in Turkije op het moment dat er in Brussel nog geen beslissing was genomen over de douane-unie.

De algemene indruk is dat Erbakan met zijn toekomstige reis naar het Westentevens in staat is om de buitenlandse politiek met betrekking tot deze landen, die hij de afgelopen maanden vrijwel heeft overgelaten aan Çiller, weer in eigen hand te nemen. De Turkse premier heeft tot nu toe bewust zijn mond gehouden, zeker gedurende de internationale crisis rondom Irak. De algemene indruk is dat hij zo wilde vermijden om het Westen tegen zich in het harnas te jagen, dan wel zijn eigen achterban van zich te vervreemden. Het probleem is evenwel dat met Çiller als minister van buitenlandse zaken en vice-premier het imago van Turkije in het Westen nu niet bepaald is opgepoetst.

In het Europese parlement werd ze eerder deze maand uitgeroepen tot een “onbetrouwbare politicus”. Vorig jaar had ze in ruil voor de douane-unie verdergaande hervormingen in Turkije in het vooruitzicht gesteld. Tevens zou het handelsakkoord als een dam kunnen dienen voor het oprukkende fundamentalisme in haar land. De mensenrechten zijn evenwel verder verslechterd in de afgelopen maanden, aldus een overweldigend deel van het Europarlement. Terwijl Çiller, in tegenstelling tot haar beloften, uiteindelijk toch met de fundamentalistische Welvaartspartij is gaan regeren.

Ook in de VS is in de afgelopen weken met enige wrevel op haar uitspraken gereageerd. Aan de ene kant hield ze vol dat Washington en Ankara wat betreft hun politiek met betrekking tot Irak op een lijn zaten, maar anderzijds liet ze blijken dat de Turkse belangen in de regio toch anders liggen dan die van de Amerikanen. De lucht schijnt in de afgelopen dagen - Çiller is in de VS voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, weer enigszins opgeklaard te zijn, maar politieke waarnemers menen dat haar geloofwaardigheid internationaal een belangrijke knauw heeft gekregen.

Het feit dat Turkije zich niet achter de VS opstelden toen die de Iraakse president Saddam Hussein een lesje wilden leren, heeft ook niets te maken met anti-Amerikaanse gevoelens onder de fundamentalisten in het land. “Het beleid met betrekking tot Irak wordt met name uitgestippeld in de Nationale Veiligheidsraad”, aldus Sami Cohen, buitenland-columnist van de liberale krant Milliyet. De Nationale veiligheidsraad wordt vooral gedomineerd door de legerstaf, die niet alleen waakt over het seculiere karakter van Turkije - en dus impliciet de speelruimte van Erbakan met betrekking tot de islamitische wereld bepaalt - maar die tevens de blauwdrukken levert hoe er met de landen dient te worden omgesprongen waar strijders van de PKK, de Koerdische Arbeiders Partij, zetelen. Dat is met name het geval in het Koerdische Noord-Irak.

Bovendien bestaat er een sterke consensus in Turkije, zowel onder de bevolking als in de politiek, over de lijn met betrekking tot Irak: het elimineren van de PKK daar en het aanhalen van de economische banden. In augustus bezochten twee ministers van het regering-Erbakan Bagdad om de banden met Irak weer aan te halen. Maar ook sociaal-democraten als Ecevit en Soysal zijn sterke voorstanders van hernieuwde diplomatieke betrekkingen met Saddam Hussein, ondanks Amerikaanse druk om dat niet te doen. Europese diplomaten in Ankara onderschrijven dat Turkije, wat betreft de veiligheid aan zijn oostelijke grens, beter af was gedurende het bewind van Saddam Hussein over heel Irak.