Heilige Alliantie

IN DUBLIN CASTLE zette minister Sorgdrager (Justitie) vorige week haar handtekening onder een nieuwe uitleveringsovereenkomst. Daarin spreken de lidstaten van de Europese Unie af dat binnen de unie geen enkel misdrijf meer zal kunnen gelden als een politiek delict dat in de weg staat aan uitlevering. Deze gebeurtenis viel in het niet bij de opwinding over de zaak-Dutroux en de nieuwe taken van Europol bij de bestrijding van kindermisbruik.

Toch werd in Dublin met één handomdraai een streep gezet door een traditie met een grote principiële betekenis die teruggaat tot de Franse revolutie.

Historisch gezien berust het uitleveringsverbod op een mengeling van sympathie voor de vrijheidsstrijder (plus de nuchtere overweging dat de opstandeling van vandaag de machthebber van morgen kan zijn) en vrees voor het ontbreken van een eerlijk proces. Inmiddels is, zeker binnen de Europese gemeenschap, het accent meer komen te liggen op het humanitaire aspect van overtuigingsdaders en de praktische wens zich zo min mogelijk de vingers te branden aan andermans interne politieke conflicten.

Toch staat de Nederlandse regering, zoals Sorgdrager het eerder dit jaar uitdrukte, “eerlijk gezegd vrij principieel achter het eind van de erkenning van politieke delicten. Als je een politieke unie organiseert moet je ook elkaars politieke systemen respecteren. Nederland vindt dat je elkaar principieel moet vertrouwen”.

Dit principiële vertrouwen sluit venijnige meningsverschillen - juist over de Europese samenwerking op het gebied van de rechtspleging - niet uit. De ministers gaven in Dublin “een klinkend signaal” (Sorgdrager) over de aanpak van misbruik en commerciële exploitatie van kinderen. Maar de door België bepleite harmonisatie van de nationale strafwet op dit punt ging het gezelschap te ver. De zogeheten derde pijler van de Europese samenwerking vertoont nog wel andere barsten, separatistische bewegingen bijvoorbeeld, of het wederzijdse ongenoegen tussen Frankrijk en Nederland over het drugsbeleid.

Als het om bomaanslagen gaat, zijn we gauw uitgepraat. Het Europese antiterrorismeverdrag heeft het beroep op het politieke karakter van delicten al twintig jaar geleden afgeschaft. Maar harde actie tegen het transport van kernafval - of kernproeven (Mururoa!) - of de uitbreiding van luchthavens kunnen zich wel degelijk onttrekken aan de Heilige Alliantie die Sorgdrager predikt. Om maar te zwijgen van de inhoud die moet worden gegeven aan het begrip “criminele vereniging”. Ook de vormgeving van Europol voltrekt zich goeddeels in een juridisch niemandsland.

HET SCHRAPPEN van de term politiek delict uit het vocabulaire van de Europese Unie zou in de lijn liggen wanneer dat het gevolg was van overeenstemming over elementaire gemeenschappelijke waarborgen, zoals de bevoegdheid van het Europese Hof van Justitie voor de derde pijler. Maar zelfs de inmiddels aardig uitgeklede uitbreiding van rechtswaarborgen bevindt zich in een volstrekte impasse. Deze kwalificatie is ontleend aan recente Nederlandse Kamerstukken. De hele samenwerking binnen de derde pijler wordt volgens deskundigen gekenmerkt door “ernstige ontwerpfouten”.

Het akkoord van Dublin heeft de kenmerken van een geforceerde interstatelijke consensus - precies waar de erkenning van politieke delicten ooit tegen bedoelde te waarschuwen. In ronde taal komt het neer op behangen over de scheuren heen.