Geef gebruiker stem bij onderzoek universiteit

Regelmatig wordt ook in deze krant verslag gedaan van de kwaliteitsbeoordeling van universitair onderzoek. Met naam en toenaam worden de universitaire onderzoekers vermeld die in deze beoordeling scoorden van excellent tot onvoldoende. Zowel binnen als buiten de universiteit worden kritische kanttekeningen geplaatst bij de manier waarop deze kwaliteitsoordelen tot stand komen.

De discussie over dit onderwerp heeft een nieuwe impuls gekregen met het bekend worden van plannen van de Universiteit van Amsterdam om hoogleraren niet langer voor het leven te benoemen, maar de universitaire loopbaan te laten afhangen van een beoordeling op geleverde prestaties. Door de mogelijke persoonlijke gevolgen krijgen onderzoeksbeoordelingen hiermee een nog zwaarder gewicht dan thans reeds het geval is voor de financiering van onderzoek. Het hoofdartikel in deze krant van 21 september jongstleden, dat aan dit Amsterdamse initiatief is gewijd, legt hier terecht de vinger op.

De kwaliteitsbeoordeling van universitair onderzoek wordt georganiseerd door de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). Eens in de vijf jaar beoordeelt een internationaal samengestelde visitatiecommissie, aan de hand van een protocol, de kwaliteit van het onderzoek binnen verwante faculteiten. Deze commissie, die in meerderheid uit buitenlandse collega's van de betreffende onderzoekers bestaat, hanteert voor de beoordeling van de kwaliteit een vijfpuntenschaal, die varieert van excellent tot onvoldoende. De beoordeling excellent betekent dat het onderzoek tot de internationale top mag worden gerekend, terwijl het onderzoek als onvoldoende wordt gekwalificeerd als het niet voldoet aan de internationale standaards. Aspecten waarop wordt beoordeeld zijn onder meer wetenschappelijke kwaliteit, productiviteit, de betekenis voor het wetenschapsgebied en de levensvatbaarheid van het onderzoek op lange termijn. Deze kwaliteitsbeoordeling, die per discipline plaatsvindt, is door het systeem van collegiale toetsing intern-wetenschapsgericht. Hierbij telt vooral het internationale prestige dat is opgebouwd door wetenschappelijke prestaties in het verleden.

Het huidige beoordelingssysteem, dat primair gericht is op de kwaliteit van autonome kennisontwikkeling, vertoont echter belangrijke tekortkomingen. Allereerst wekt het verbazing dat in de onderzoeksvisitaties geen relatie met het onderwijs wordt gelegd, waarvoor aparte kwaliteitsbeoordelingen bestaan. Deze scheiding tussen de onderwijs- en onderzoeksvisitaties valt niet te rijmen met de algemeen bepleite verwevenheid van onderwijs en onderzoek. Hierbij dient het onderzoek aan universiteiten, in tegenstelling tot onderzoek bij instellingen als TNO, vooral in dienst te staan van academische vorming en opleiding.

Prioriteiten in het onderwijs zouden daarom aanleiding kunnen geven tot het verleggen van zwaartepunten in het onderzoek. In de visitatierapporten zal men aanbevelingen van deze strekking echter niet of slechts sporadisch aantreffen.

Een tweede tekortkoming, waarop we hier vooral de aandacht willen vestigen, betreft de beoordeling van het onderzoek zelf. De nadruk die bij onderzoeksvisitaties wordt gelegd op bewezen wetenschappelijke kwaliteit, werkt conserverend op de noodzakelijke dynamiek van het wetenschapsbedrijf. Het gevolg daarvan is onder meer dat aansporingen om de richting van het onderzoek mede te laten bepalen door de maatschappelijke vraag of in te zetten voor bijvoorbeeld technologie-ontwikkeling aan zo'n beoordeling veelal niet kunnen worden ontleend. Van universiteiten wordt daarom verwacht dat zij met hun onderzoeksplannen op kansrijke maatschappelijke thema's inspelen. Dit houdt vooral in dat individuele onderzoekers moeten worden aangespoord het onderzoek (deels) te verleggen in sociaal en economische gewenste richtingen en dat zij daarop ook kunnen worden afgerekend.

Karakteristiek bij vraaggestuurd thematisch onderzoek is dat de aard van de probleemstelling de inzet vereist van verschillende disciplines. De organisatie van dit multidisciplinaire onderzoek, waarbij in beginsel sprake is van een directe relatie met de afnemer van het onderzoek, is een andere dan bij disciplinair onderzoek, dat veelal geen directe klanten kent en waarvan de internationale tijdschriften de belangrijkste afnemers zijn. Onderzoekers in verschillende disciplines moeten met elkaar gaan samenwerken, iets dat in een universitaire cultuur niet vanzelf gaat.

Individuele onderzoekers die deze weg eigener beweging reeds zijn ingeslagen niet te na gesproken, moet worden geconstateerd dat de VSNU-onderzoeksbeoordeling de universiteiten onvoldoende uitdaagt maatschappelijke thema's op te pakken. De resultaten van maatschappelijk geïnspireerd onderzoek hebben andere verschijningsvormen dan onderzoek dat door de onderzoeker zelf wordt aangestuurd, zoals bijvoorbeeld produkt- en procesinnovaties, die zich veelal minder lenen voor publicaties in internationaal erkende tijdschriften en in de beoordeling daarom minder hoog scoren. Er is dus alle aanleiding om bij de beoordeling van universitair onderzoek en de toewijzing van middelen naast bewezen wetenschappelijke kwaliteit ook de maatschappelijke kwaliteit te honoreren. Het participeren in multidisciplinair op toepassing gericht onderzoek dient de onderzoeker dezelfde mogelijkheden tot erkenning op te leveren als thans voor monodisciplinair onderzoek het geval is. Hiermee is ook duidelijk gemaakt dat de huidige onderzoeksvisitaties geen aanknopingspunten bieden voor een op de persoon toegesneden beoordeling.

Universiteiten worden geacht koplopers te zijn in vernieuwing, maar de gerichtheid op autonome kennisontwikkeling, waarbij de wisselwerking met de omgeving tekortschiet, heeft er inmiddels toe geleid dat zij worden ingehaald door recente overheidsinitiatieven. Reeds genoemd is het voornemen tot het oprichten van Technologische Topinstituten. Voorts heeft minister Ritzen op Prinsjesdag plannen bekend gemaakt om jaarlijks tweehonderd miljoen gulden uit de onderzoeksbudgetten van de universiteiten te oormerken voor gerichte stimulering van onderzoeksscholen. De buitenwereld krijgt een belangrijke stem in de toewijzing van deze middelen. Door deze verandering in legitimatie van door de overheid bekostigd onderzoek zal onderzoeksprioritering meer en meer buiten de universiteiten om plaatsvinden en zullen de universiteiten zelf langzaam maar zeker hun greep op de nu bestaande lump-sum financiering van onderzoek verliezen.

Kwaliteitsbeoordeling van universitair onderzoek zoals die thans plaatsvindt, zal daarmee vanzelf verdwijnen en worden vervangen door vormen van beoordeling waarbij ook de afnemers van het onderzoek een belangrijke stem hebben. Daarbij ligt het voor de hand de kwaliteitsbeoordeling niet langer, via de VSNU, door de universiteiten zelf te laten organiseren maar over te laten aan een onafhankelijk orgaan, zoals dat ook in het bedrijfsleven gebruikelijk is.