Christendom heeft geen eigen moraal

Het lijkt mij zinnig wanneer een christen zich even met het debat inlaat tussen de twee heren J.L. Heldring en P. Cliteur dat zich al enige maanden in dit dagblad afspeelt. Het gaat over de vraag naar de verhouding tussen christendom en publieke moraal. Heldring noch Cliteur noemt zichzelf daarbij christen.

Ik ben het met Cliteur eens dat het zeer goed mogelijk is een publieke moraal hoog te houden zonder godsdienstige uitgangspunten. Maar Cliteur beweert ook dat godsdienst en moraal - ik zou liever het woord ethiek hier gebruiken - principieel niets met elkaar te maken hebben. Dat woord principieel kan verwarring veroorzaken; ik wil het liever vermijden. Voor het christendom is het duidelijk dat godsdienst niet zonder ethiek kan. De liefde tot God moet zich uitdrukken in de liefde tot de naaste. Religieuze handelingen hebben geen waarde als ze niet vergezeld worden van de naastenliefde. Ze kunnen en moeten zelfs overtreden worden omwille van de naaste. Bij het inprenten van dit verband tussen godsdienst en ethiek vallen in vele bijbelse teksten de woorden 'beloning' en 'straf'. Cliteur heeft gelijk dat goede daden gedaan moeten worden om zichzelf, niet om beloond of niet gestraft te worden en evenmin omdat er een God is die willekeurig vastgesteld heeft wat goed of kwaad is. Het bijbelse gebruik van woorden als 'beloning', 'straf', 'gebod van God' hebben echter een andere achtergrond dan Cliteur meent, waarover straks meer.

Wat is de grondslag van de moraal? Deze baseren op de consequenties van ons gedrag, zoals Cliteur schijnt te willen, lijkt mij moeilijk, omdat de consequenties doorgaans niet in hun volheid te overzien zijn. De grondslag is veeleer gelegen in het gegeven dat mensen verbonden zijn met elkaar en dat tegelijk ieder mens uniek is.

Over zowel uniciteit als verbondenheid is veel te zeggen. Laat ik ermee volstaan erop te wijzen dat we leren spreken, en daarmee denken, doordat wij anderen hebben nagevolgd en dit nog doen. We kunnen slechts bestaan door te leren van elkaar - vandaar ook het belang van een publiek debat.

De grondslag van de moraal is de verhouding tussen verbondenheid met anderen en uniciteit. De verhoudingen tussen mensen moeten 'recht' zijn, dat wil zeggen ieder mens moet recht gedaan worden door anderen en moet de ander recht doen. Het meest minimaal, maar toch tegelijk het meest universeel wordt dit uigedrukt in het gebod 'gij zult niet doden'.

Wat dit 'recht doen' betekent, kan van plaats en tijd verschillen. Ethiek is iets anders dan een verzameling juridische regels. In een bepaalde tijd of in een bepaalde cultuur kan 'recht doen' een ander gedrag opleveren dan in onze tijd en onze cultuur. Sterker nog, in onze eigen cultuur en tijd kan voor het ene individu deze of die ethische beslissing juist zijn en voor de ander niet.

Dit relativisme betekent niet 'zoveel hoofden, zoveel zinnen'. Steeds opnieuw moet de vraag gesteld worden: “Wordt hier recht gedaan?” We ontkomen er niet aan met elkaar hierover te spreken. We zijn het erover eens, denk ik, dat we het martelen en ook de doodstraf afwijzen, al betekent dit niet dat we mensen die dit ooit met een goed geweten gedaan hebben, hoogmoedig als 'immoreel' bestempelen.

Het christendom heeft met andere stromingen invloed gehad op onze huidige publieke moraal. Zijn vertoog is dat van de liefde; in de liefde wordt paradoxaal zowel de verbondenheid bevestigd als het anders zijn van de ander. Dit, samen met zijn relativering van overgeleverde geboden en de universalisering van de naastenliefde, heeft bijgedragen tot een publieke moraal die de regel 'gij zult niet doden' nu ruimer toepast dan in het verleden gebruikelijk was.

Het christendom heeft geen eigen moraal. Wanneer christenen zich tegen abortus en euthanasie verzetten - genuanceerd of heel ongenuanceerd - zullen ze doorgaans zeggen dat abortus en euthanasie ingaan tegen het gebod 'gij zult niet doden'. Ze zullen er niet dadelijk God bij halen.

Wanneer bijbelse teksten het hebben over beloning, straf en goddelijke geboden, gaat het over de consequenties die immanent zijn aan de daad. Je valt in de kuil die je graaft voor de ander, enzovoorts. Je doodt jezelf door je naaste te doden. Op dit niveau heeft God er niets mee te maken. Boontje komt om zijn loontje.

God heeft in deze gelovige traditie wel op een andere wijze met onze wereld te maken. Het is immers mooi om te zeggen dat iedereen recht gedaan moet worden, dit betekent niet dat dit ook gebeurt. Dit laatste stelt ons voor het probleem waarmee ook Nietzsche en Dostojevski worstelden: wat betekent het te leven in een wereld waarin er geen uitzicht is dat er ooit recht gedaan zal worden?

Dit hoeft niet te betekenen dat iedereen nu maar ten eigen behoeve onrecht gaat doen. Maar het stelt ons wel voor de vraag of leven wel de moeite waard is en waarde heeft. Betekent het feitelijk onrecht dat het laatste woord in de geschiedenis aan het geweld is? Dat menselijk leven als puntje bij paaltje komt, te vaak op een gruwelijke nederlaag uitloopt? Dat de code van ons bestaan inderdaad de survival of the fittest is?

Voor de christelijke traditie is God liefde en heeft liefde het laatste woord. Ieder mens zal recht worden gedaan. In deze context moeten woorden als 'beloning' en 'straf' in de bijbel verstaan worden. Dit vertrouwen dat er een God is die ieder mens recht zal doen, is misschien niet meer dan een kinderlijk verlangen. Je kunt echter zo met moed en vertrouwen leven in onze wereld. Het alternatief is weinig aantrekkelijk.