Ben ik mooi?

In haar ondergoed loopt Sonia soepel tussen de kleinere kinderen door, naar de wastafels. Een lichte welving onder het hemd geeft aan dat haar borstjes doorkomen. Haar sprekende gezicht met het uitbundig krullende haar, de slanke armen en benen en de fijngevormde handen en voeten maken haar tot het mooiste kind van het internaat.

In deze omgeving, die haar vertrouwd is, kun je niet merken dat ze vrijwel niets ziet. Vergeleken bij de andere blinde kinderen beweegt ze zich snel en zeker. Ook aan haar innemende lichtbruine ogen kun je niet zien dat die bijna alles terugspiegelen.

Aan het ontbijt ontspint zich tussen Sonia en haar leeftijdgenote Arine het volgende gesprek:

Sonia: “Ik vind Martin wel een lekker ding! En jij?”

Arine: “Martin van de Velde?”

Sonia: “Ben je gestoord? Fuck, ik moet jou ook alles uitleggen. Martin Cooks natuurlijk!”

Arine: “Ik dacht al!”

Verontwaardigd mengt een van de jongere kinderen zich plotseling in het gesprek met de opmerking dat de eerstgenoemde Martin juist onwijs aardig is.

Sonia: “Onwijs aardig, ja, maar ook ONWIJS blind. En wij (hier valt Arine in) willen geen blinde nazaten.”

Het jongere kind houdt vol dat de meisjes helemaal niet weten of Martins ogen 'erfelijk' zijn.

Arine: “Luister jij nou eens goed, kleintje. Voor nazaten zijn er toevallig twee nodig en toevallig weet de oogarts ook niet alles en toevallig is het safer om...”

Sonia: “Zeg nou hoe je hem vindt?”

De rest van het geprek gaat verloren in het tumult van een ruzie onder de kleintjes.

Na het ontbijt loopt Sonia naar de slaapafdeling. Ze buigt haar gezicht naar de wastafelspiegel en houdt het zo dicht mogelijk bij het oppervlak. Doodstil staat ze ingespannen te turen naar wat ze van haar spiegelbeeld kan zien. Zonder haar blik van de spiegel af te wenden vraagt ze aan de leidster die de bedden komt opmaken: “Ben ik mooi?”