Aards paradijs

Vrienden laten me foto's zien van een weelderig landschap met baaien en kustvlaktes waar gewassen door een zachte bries uit de oceaan worden gewiegd en rijpen in de zon.

Ze waren in Cuba. Ze zijn niet tevreden. Gefrustreerde verwachtingen. “Te veel afstand tussen vreemdeling en eilandbewoners”, verzuchten ze. “Je staat als toerist buiten de realiteit van het gewone volk.”

Hoe was dat in tijden toen Castro en Che Guevara dit reisdoel een aureool van romantiek verleenden, vraag ik me af. Drong ik toen wel door tot die werkelijkheid?

Ik moet mijn eigen foto's naast de hunne leggen om het me helder voor de geest te halen. Ik was in gezelschap van een groep die solidariteit met Cuba in het vaandel voerde. We waren naar de zuidelijke havenplaats Santiago gereisd. Op een middag zouden we een bezoek brengen aan het Museum van de Revolutie dat de strijd in de Sierra Maestra en de triomf over de dictatuur in beeld bracht.

Ik sloeg het eerbetoon aan de guerillero's over en bleef achter in het hotel. Het lag op een heuvel aan de rand van de stad. Het gazon waarlangs de gastenverblijven waren gebouwd werd aan de andere zijde door een hoog hek van prikkeldraad begrensd. Hierachter waren altijd kinderen te zien die zich vergaapten aan de mondaine wereld, 'tavaritsj' naar de gasten riepen en om 'chicklets' bedelden.

Ik zocht een gat in de omheining en begon de afdaling langs een rotsachtige helling. Doel van mijn tocht waren van hout, keien en golfplaat opgetrokken huisjes, die als verwaaid vuil in de diepte bijeen lagen. De camera die ik om mijn nek had, hinderde me danig. Struikelend, half glijdend, met een wolk stof in mijn kielzog, kwam ik beneden aan.

Hoewel nieuwsgierigheid mij in deze schrale vallei had doen afdalen bleek ik zelf al spoedig een curiosum te zijn dat een wending gaf aan de dagelijkse gang van zaken. Enige tijd bleef ik onopgemerkt. Ik fotografeerde een jongetje dat een mango jatte uit andermans tuin en een naakt kind dat tussen afval speelde.

De eerste die me staande hield was een man met een paar plukken haar op zijn gebruinde schedel. Zijn bovenlichaam was naakt. Wat hij verder aan had kon ik niet zien, want hij zat aan het raam en liet zijn linkerarm naar buiten hangen als zat hij aan het opengeschoven venster van een treincoupé. Hij bekeek de straat en wat hij nu zag was nieuw: een verdwaalde vreemdeling met vuile vegen op zijn witte broek en overhemd, als was hij per ongeluk in deze kuil gerold.

De man aan het venster grijnsde. Hij had nog maar een paar tanden in zijn mond. Met een knikje nodigde hij mij uit naderbij te komen. Ik gehoorzaamde. Over zijn hoofd keek ik in de duisternis van het huisje. Ik kon alleen een hangmat onderscheiden, die tussen twee wanden boven een lemen vloer hing. Voor een beeld van de Zwarte Maagd flakkerde een vlammetje.

“Waar kom je vandaan”, informeerde de man.

“Uit Holland, ... Europa.”

“Wat kost het om hier te komen?”

Uit schaamte noemde ik een kwart van de prijs. Hij keek me glazig aan, alsof ik over astrale dimensies sprak.

Hoe oud ik was. We bleken leeftijdgenoten. Of ik een vrouw had en kinderen. Hij had er negen. Ik niet één. Zijn blik verraadde ironie en medelijden alsof hij niet graag in mijn schoenen zou staan, die van een eenzame, onvruchtbare miljonair.

Ik maakte een foto van hem terwijl hij naar buiten hing over de lijst van het venster en zijn gezicht het daglicht ving tegen de donkere achtergrond van het interieur. Hij wilde er nog een. Een betere. Hij ging er voor zitten. Ik keek door de zoeker en drukte af.

Inmiddels was zijn vrouw in de deuropening verschenen met een naakt kind op de arm dat zich beschaamd afwendde. Ze gaf me een teken haar ook te fotograferen. Ik begreep het als een opdracht. Buren kwamen naar buiten. Een meisje formeerde haar broers en zusjes tot een clubje: groteren achter, kleintjes voor. Ze ging er bij staan en knikte me toe. Ik richtte mijn camera op hen. Er was geen ontkomen aan. Ze keken lachend, gegeneerd, verbaasd, verbijsterd in de lens.

Nieuwe groepjes werden gevormd. Anderen kwamen aangesneld. Ik werd op de schouder getikt, aan de elleboog getrokken, er werden papiertjes in mijn zak gefrommeld met adressen, waarheen de foto's verzonden moesten worden.

Iedereen was ingelicht. De aankondiging van een circus, het gerucht van een ongeluk, delict of liefdesdrama kon niet sneller zijn doorgedrongen dan het nieuws: “de fotograaf is er, een buitenlander met de beste camera uit Rusland!”

Er werd gerukt, gesjord, geduwd. Men verdrong elkaar met verbeten gezichten. Het leek een kwestie van overleven. Gezichten werden samengeperst voor mijn lens en ontspanden na de klik. Er kwamen er steeds meer die recht meenden te hebben op een foto. Ik begon me terug te trekken onder dekking van mijn camera. De heuvel op, naar het gat in het hek waardoor ik gekomen was. De film raakte op. Men scheen zich bewust te worden van de laatste kansen. Er vielen klappen. Het recht van de sterkste gold. Kinderen ruimden blèrend het veld. Zou ik ter verantwoording worden geroepen voor de chaos die ik aanrichtte? Moest ik mijn camera in hun midden gooien - zodat zij zelf het pleit konden beslechten - en me uit de voeten maken? Als een in het nauw gedreven krab schoof ik - met mijn vrije hand zijdelings tastend - naar achteren, viel een aantal keren op mijn kont, sloeg het stof van mijn broek en mat de afstand die mij van het hek scheidde. Vanuit de hoogte moet het een wonderlijk gezicht geweest zijn: de witte man, die zich struikelend en fotograferend terugtrok met een waaier van bewoners uit de lagere regionen achter zich aan. Zij bekommerden zich niet om het schouwspel. Het enige dat telde, was de lens, het magische oog dat hen aan de vergetelheid ontrukte.

Ik kijk naar de zwartwit foto's naast de kleurrijke landschappen van mijn vrienden. Columbus dacht daarin het 'paradijs op aarde' te vinden met parels op de stranden en goud in de rivieren. Zijn volgelingen voelen zich nog steeds door de werkelijkheid bedrogen.