Aanpak van fraude in confectie

DEN HAAG, 1 OKT. Opdrachtgevers en inkopers van frauderende confectiebedrijven worden voor die fraude aansprakelijk gesteld. Het gaat daarbij om niet betaalde loonbelasting en sociale premies.

Dat blijkt uit een voorstel van de staatssecretarissen De Grave (Sociale Zaken) en Vermeend (Financiën) en minister Sorgdrager (Justitie) om de regeling op de ketenaansprakelijkheid uit te breiden. De uitbreiding behelst tevens een voorstel om de aansprakelijkheid te omzeilen voor opdrachtgevers van nog te vervaardigen kleding. Deze hebben de mogelijkheid om het premie- en loonbelastingdeel dat uit een opdracht voortvloeit, te storten op een geblokkeerde rekening. Voor het op deze rekening gestorte bedrag kunnen zij dan niet meer worden aangesproken.

Inkopers van al vervaardigde kleding zijn eveneens aansprakelijk tenzij ze aannemelijk weten te maken dat ze op het moment van de koop niet wisten dat het atelier geen belasting en premie zou afdragen.

De ketenaansprakelijkheidsregeling bestaat sinds 1982 en was oorspronkelijk bedoeld voor de bouw- en kleinmetaalsector en bleek een effectief middel om malafide praktijken te bestrijden. Sinds ruim twee jaar is de regeling uitgebreid met de confectiesector, omdat steeds meer malafide ateliers werden gesignaleerd.

De opdrachtgever van zo'n atelier heeft volgens de bewindslieden een uitgesproken machtspositie en kan afdwingen dat premies en belastingen niet worden betaald, hetgeen lagere prijzen tot gevolg heeft. Met de huidige regeling kan hij daarvoor niet aansprakelijk worden gesteld, een situatie waar nu een eind aan wordt gemaakt.