Tunnel enige alternatief; Aanleg HSL aantasting van natuurgebied

UTRECHT, 30 SEPT. De hogesnelheidslijn naar Duitsland moet samen met de snelweg A-12 ten zuiden van Maarn door natuurgebied lopen. De spoorlijn moet kan beter niet boven de bestaande snelweg worden aangelegd.

Dat adviseert een bestuurlijke begeleidingsgroep in de verkenningsnotitie HSL-Oost/A-12, die vandaag aan de ministers van Verkeer en Waterstaat en VROM is aangeboden. De begeleidingsgroep, waarin Rijk, provincies, gemeenten en NS zijn vertegenwoordigd, heeft een voorstudie verricht naar de mogelijkheden voor een hogesnelheidslijn tussen Schiphol en Frankfurt en verbreding van de A-12. De voorstudie zal worden gebruikt bij de startnotitie die de betrokken ministers dit najaar uitbrengen, waarmee de wettelijke procedure voor de aanleg van de HSL-Oost aanvangt.

Het bestaande spoortracé is zoveel mogelijk aangehouden. Verdubbeling van het spoor moet een snelheid van driehonderd kilometer per uur mogelijk maken. De snelheidslijn loopt door twee grote natuurgebieden, de Veluwe en de Heuvelrug, en door of langs een tiental woonplaatsen. De begeleidingsgroep heeft ondertunneling slechts als laatste mogelijkheid beschouwd.

In Maarn zit een groot knelpunt, omdat de bestaande spoorlijn en snelweg vlak naast elkaar liggen, zodat er geen ruimte is voor uitbreiding. Bovendien lopen beide verkeersaders nu dwars door de dorpskern. Die barrière wordt nog groter als daar een spoorlijn bovenop komt. Omleiding ten zuiden van Maarn gaat ten koste van natuurgebied, terwijl ook de Maarnse zanderij een obstakel vormt. Dat is om een grote afgraving van de Maarnse berg, waarvan het zand gebruikt is voor de aanleg van wegen en spoorlijnen. De begeleidingsgroep denkt de natuurwaarden via verschillende hoogteliggingen te kunnen ontzien. Een alternatief is een geboorde tunnel.

Een ander knelpunt ligt bij Bunnik, waar het spoor met een grote bocht uit Utrecht arriveert en vlak langs de A-12 en de dorpskern loopt. De begeleidingsgroep bepleit een minimale bochtafsnijding. Op de Veluwe bij Wolfheze voorziet men een noordelijke uitbreiding van het spoor op maaiveldniveau, half-verdiept of verdiept.

De gemeente Bunnik is voorstander van verplaatsing van het spoor naar het zuiden en een ondergrondse kruising van de Kromme Rijn. Volgens de begeleidingsgroep krijgt het station van Bunnik dan een geïsoleerde ligging.