Rugbyvrouw uit Delft beste man van het veld

DEN HELDER, 30 SEPT. De toeschouwer die niet weet dat er in het duel tussen de twee rugbyteams van thuisclub Den Helder en de bezoekers uit Delft een vrouw meespeelt, weet niet beter dan dat er dertig mannen in het veld staan. Maar ook degenen die er wel van op de hoogte zijn, slagen er niet in de speelster van Delft op eigen kracht te herkennen.

De trainer van Delft wijst naar nummer 7, Anne-Mieke van Waveren. Bijnaam: Pim. Nee, dat ze als vrouw tussen de mannen schuil gaat, beschouwt de stevig gebouwde speelster niet als een compliment. “Maar erg is het niet. Het is veiliger als ik niet opval.”

Hevige regenbuien en een stormachtige zuidwestenwind geselen het nieuwe veld van de Rugbyclub Den Helder. Kletsnat gaan de twee teams elkaar te lijf. De vijftien toeschouwers zien talloze glijpartijen op de soppige grasmat, ballen glippen voortdurend uit spelershanden. Twee keer veertig minuten speelt het duel tussen de reserve-teams van beide verenigingen zich hoofdzakelijk op de helft van de bezoekers af. Delft verliest met grote cijfers.

Na het eindsignaal komt Anne-Mieke van Waveren afgepeigerd van het veld. Een aparte kleedkamer is er niet voor de 31-jarige international, die de vrouwencompetitie ontvluchtte omdat die haar fysiek en technisch geen uitdagingen meer bood. Met haar medespelers gaat ze onder de douche. En niet alleen met de ploeggenoten uit Delft. Omdat er maar één kleedruimte beschikbaar is, mengen ook de spelers van Den Helder zich onder de gasten. “Dat gezamenlijk douchen hoort erbij”, zegt Anne-Mieke als ze in de kantine aanschuift. Vier van huis meegebrachte boterhammen met kaas legt ze naast zich neer. “Als je als team het veld op gaat, moet je ook samen douchen. De eerste keer heb ik gevraagd of ze het goed vonden.” Niemand maakte bezwaar. “Maar daarnet dacht ik, ahum, vind ik dit nog wel leuk? Ik voelde me wel een beetje ongemakkelijk.”

Anne-Mieke van Waveren speelde als klein meisje al voornamelijk met jongens. “Omdat er bij ons in de buurt alleen maar jongens woonden. En in de klas zat er behalve ik maar één meisje.” Acht jaar geleden raakte ze verslingerd aan rugby. Dankzij haar zus kwam ze in aanraking met de sport. Voetbal en basketbal waren tot dat moment de twee sporten die ze beoefende. “Mijn zus speelde rugby en die heeft me overgehaald. En als je eenmaal rugbyt, is er geen andere sport meer”, zegt Van Waveren. “Rugby is gezelliger, daar maak je meteen vrienden.” Haar ouders delen het enthousiasme niet. “Mijn broer en zus vinden het goed dat ik dit heb doorgezet. M'n ouders weten waarschijnlijk niet eens dat ik bij de mannen speel. Volgens mijn vader is het maar een domme sport. Hij is één keer wezen kijken en toen stond hij met z'n rug naar het veld. Mijn moeder vindt het erg dat ik rugby speel.”

Van Waveren begon in Utrecht. Ze bracht een jaar door in Canada, speelde daar een paar wedstrijden, maar kon er niet terecht bij een van de schaarse rugby-ploegen. Dat lukte wel in Engeland, waar ze zich na een oefentrip aan de Londense vereniging Richmond verbond. Ze verdiende er haar brood aanvankelijk als hovenier, zoals ze dat nu in Nederland weer doet, vervolgens als part-time life-guard in een zwembad. “In Engeland praat iedereen over rugby en kijkt iedereen naar rugby. Je ademt daar rugby.” Na anderhalf jaar keerde ze naar Nederland terug, omdat ze zich met het nationale rugbyteam op de World Cup - die uiteindelijk niet doorging - moest voorbereiden. Voor verzoeken om naar Engeland terug te komen, bedankte ze vriendelijk. “Het leven daar beviel me niet zo. Ze zitten er altijd in de kroeg.”

Drie weken geleden verruilde Van Waveren haar plaats in het team van vrouwenrugbyvereniging Thor, een studentenclub, voor het tweede heren-seniorenteam van de Delftse Rugby Club. De rugbybond heeft haar formeel nog niet de gevraagde dispensatie verleend om in de mannencompetitie mee te spelen. Wel werd ze op initiatief van de bond medisch gekeurd. De bondsarts verklaarde haar lichamelijk fit. Inmiddels heeft ze drie competitiewedstrijden gespeeld. “Ik denk dat ze bij de bond bang zijn dat er meer meisjes bij de mannen willen gaan spelen”, speculeert Van Waveren over de achtergrond van de radiostilte bij de rugbybond. “Misschien zijn ze ook bang voor m'n veiligheid.” Die zorg heeft ze zelf allerminst. Binnen de lijnen gaat ze het duel aan als een vent. Wanneer ze een tackle heeft gemaakt, krijgt ze een schouderklopje. Mannelijke rugbyers moeten het na zo'n actie zonder dit fysieke compliment stellen. “Als er iets vervelends gebeurt, denk ik ook wel dat ze me in bescherming nemen.”

Nu al merkt Van Waveren dat ze harder is geworden. Volgens de coach en volgens haar medespelers doet ze niet onder voor de rest van het team. “Toch ga ik nog niet laag genoeg, een houding waarmee je meer kracht kunt zetten en die veiliger is omdat je je tegenstander zodoende met je schouders kunt opvangen.” En dat alles om tijdens de World Cup die in 1998 in Amsterdam wordt gehouden, nog sterker voor de dag te komen.

Vrouwonvriendelijke opmerkingen kreeg Van Waveren nog niet naar haar hoofd geslingerd. “Ik merk niet zoiets van: daar loopt die griet, die zullen we eens een lesje leren. De reacties vallen me honderd procent mee.” De mannen accepteren haar als een volwaardige speler. “Ze lopen niet zomaar door me heen.” Johan Spijkers, aanvoerder van het tweede team, gaf Van Waveren na haar debuut het mooist denkbare compliment. Hij betitelde de flanker als “de beste man van het veld”.