Realistisch slot faecaliëndrama's

Voorstelling: Mijn Hondemond van Werner Schwab door De Trust. Vertaling: Tom Kleijn. Regie: Theu Boermans. Spel: Jacob Derwig, Jaap Spijkes, Sylvia Poorta. Gezien: 28/9, Toneelacademie Maastricht. Nog te zien: t/m 5/10 aldaar; van 18/3 t/m 12/4 in Trusttheater Amsterdam. Inl. 5205320

Zo meedogenloos als de toneelschrijver Werner Schwab zijn zogeheten faecaliën-tetralogie op schrift stelde, zo nauwgezet hebben regisseur Theu Boermans en toneelgroep De Trust de drama's op toneel gebracht. De krachttoer begon drie seizoenen geleden met OVERGEWICHT, onbelangrijk; VORMELOOS, dat een nieuw soort taal in het theater introduceerde. Wat me toen nog voorkwam als beeldrijk gegoochel met syntaxis, werd met de enscenering van de latere stukken (De Presidentes en Volksvernietiging) een navolgbare verdichting van een wereldbeeld.

Schwabs filosofische en literaire visie wordt in Mijn Hondemond, het sluitstuk van het vierluik, al aardig samengevat in de eerste drie regeltjes. “De buik stinkt al weer / de wereld verovert je / en mest zich naar beneden weg.” Vertaler Tom Kleijn is, net als het publiek, onvermijdelijk gewend geraakt aan die verdraaide taal, maar het blijft knap dat hij in een zinsnede als “(...) Heb jij alweer in jouw inbeeldingen naar binnen geluisterd” zowel Schwabs hoogstpersoonlijke grammatica als de inhoud recht doet.

De Oostenrijker Schwab, die zich bijna drie jaar geleden op oudejaarsavond dood dronk, was een typisch produkt van een repressieve samenleving: extreem in alle opzichten. Maar zo'n inktzwarte pessimist als hij was, zijn stukken hebben tegen wil en dank ook iets geestigs. Zijn karikaturen zijn uit beton gehouwen, maar dan wel met het fijnste beiteltje: ze zijn het resultaat van zeer precieze observatie. Het is de spanning tussen het 'onware' van de overdrijving en het 'ware' van de herkenning die de lachlust opwekt.

Theu Boermans koestert dat effect ook nu weer in zijn enscenering van Mijn Hondemond. Het is simpel en tegelijkertijd ongehoord wat hij doet: hij volgt de regie-aanwijzingen van Schwab op de voet. Er is durf voor nodig om, inderdaad precies zoals de schrijver aangeeft, een “miniatuur weiland, een miniatuur bos, een miniatuur akker” aan te leggen op toneel en de voorgeschreven zandhoop te vervangen door een van heuse broei rokende mestvaalt. Boermans is hyperrealistisch, zonder enige schroom.

Terecht, want hij kan vertrouwen op drie spelers die de last van het realisme dragen kunnen. Jaap Spijkers speelt de hoofdrol, de vrijwel monologiserende boer Hondebeksjef, die zichzelf aan het slot te eten geeft aan zijn eigen hond: “Nu meld ik mij voorgoed bij de hondespijsvertering aan.” Woedend, gedreven, zwetend en zuipend kotst Spijkers zijn kronkelzinnen uit, één been pijnlijk in een amputatie-stomp tegen het achterwerk gevouwen. Hij is bewonderenswaardig, maar niet altijd zo helder als Syvia Poorta, zijn chagrijnende vrouw. Ze is een monument van verachtelijke properheid.

De ontdekking van dit consequente slot van de faecaliëndrama's is de mij tot dusver onbekende Jacob Derwig. Hij is de stripachtige slungelzoon van Schwabs illustere echtpaar, en hij zegt meer over het stel dan regisseur en schrijver tezamen kunnen. Hij heeft last van wormen en kopkaas, voor het overige valt zijn kromgebogen creatie (schouders en bekken naar voren geklapt) niet adequaat te beschrijven. Hij moet gezien en gehoord worden.