Prehistorische theeserviesjes

Er zijn ontgoochelingen die men liever niet ten volle wil beseffen. Ingenieur A. van Schermbeek (1902-1980) kon erover meepraten. Jaren achtereen kocht hij prehistorisch aardewerk aan. Niet op een rantsoen van één stuk per maand, maar in bulk, zoals het een verslaafd collectioneur betaamt. En als hij krap bij kas zat, liet hij desnoods zijn wijn staan, het grootste genot dat hij, behalve jagen, nog kende in zijn leven.

Van Schermbeek vergaarde alles wat de grond rondom zijn Ermelose landgoed zoal prijsgaf. Hij stond in dat enthousiasme niet alleen. In de jaren dertig was de archeologische wereld in de ban geraakt van het grafheuvelonderzoek bij Apeldoorn. Dat gespit had potten, dolken, barnstenen sieraden en goud opgeleverd. Van Schermbeek wilde die ondergrondse Veluwe ook in huis hebben. Hij kwam bijna kastruimte tekort. Regelmatig stofte zijn knecht behoedzaam de prehistorische potjes, schaaltjes en figuren af. En 's avonds, een glas Chablis in de hand, kon Van Schermbeek zijn blik niet lang genoeg over de schappen laten dwalen.

Het ging heel lang heel goed op de Veluwe, totdat daar in 1939 een zekere Hendrik de Ruyter tegen de lamp liep. Een arbeider die als hulp bij opgravingen zijn opdrachtgevers had horen hunkeren naar het materiële verleden. “Kom, ik help ze een handje”, moet Hendrik gedacht hebben en vervolgens was hij thuis driftig met een bonk klei in de weer gegaan. Na de eerste plastische successen wist hij niet meer van ophouden. En Van Schermbeek ook niet. Tassen vol huisvlijt kocht hij van Hendrik, zelfs een echt, 'prehistorisch' bruin geverfd golfballetje.

'Potjes-Hendrik', zoals hij later heette, kneedde zijn prehistorische stukken op sigarenkistjes - merk Willem II, aldus afdrukken op de bodem van zijn potten. En met een lucifer prutste hij er een paar oogjes of versieringen in. Hoewel er - o, sloddervos - zelfs actueel krantepapier in het kneedgoed werd aangetroffen, bleef Van Schermbeek niettemin tot zijn dood toe geloven in de authenticiteit van zijn bezittingen. Liever verdringing, dan verdriet om mateloze misleiding.

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden heeft nu voor List en bedrog, een tentoonstelling over vervalsingen in de Nederlandse archeologie, de museumkamer van Van Schermbeek gereconstrueerd. Een treurige, openbare vertoning, waar een particuliere collectie zich blijkbaar wèl, maar een museale verzameling zich niet toe leent. Want in dat laatste geval staan reputaties op het spel van mannen die ook postuum graag voor 'deftig en deskundig' willen doorgaan. Een museumvitrine vol nep zou voor hen een nekslag zijn.

Een van die deftige heren is C. van Genderen Stort geweest, bestuurslid van het Drents Museum in Assen. We komen hem op dezelfde Leidse tentoonstelling tegen. Hij poseert op een foto vlak naast Arends en Egberts. Apetrots was dat Drents Museum op die twee veenarbeiders, want ze hadden net (in 1899) een karrenvracht aan prehistorische scherven, potten en stenen werktuigen gelost, allemaal blootgelegd in Odoorn bij Emmen.

De vinders werden rijkelijk beloond voor dat 'typische Odoorner baksel' en na de ontdekking van een compleet prehistorisch theeservies wilden andere binnen- en buitenlandse musea ook een deel van de buit komen binnenhalen. Op de hielen gezeten door de concurrentie wist het Drents Museum niet hoe snel en hoe genereus het de gravers tegemoet moest komen.

De museumkassa was praktisch leeg toen een Leidse conservator eindelijk alle zeldzame vondsten als 'confectiewerk' naar de storthoop verwees. Het duo, dat de produktie in aantal en diversiteit flink had moeten opvoeren, bleek het kleispul te hebben nagemaakt van de tekeningen die Van Genderen Stort hen ter inzage had gegeven. Dankzij het museumbudget leefden Arends en Egberts nog lang en gelukkig in hun splinternieuwe boerderijen.

Op de Leidse tentoonstelling zijn Van Schermbeek en het Drents Museum de meest sensationale affaires, samen met de zaak Tjerk Vermaning. Deze grasmaaimachineslijper vond in de jaren zestig en zeventig in de geploegde akkers van Drente de ene na de andere vuistbijl. Concrete bewijzen, vond hij, dat Nederland niet vijf- maar vijftigduizend jaar geleden al bewoond was. Hoewel hier inderdaad Neanderthalers hebben gejaagd zijn zijn bijlen nog steeds omstreden.

Maar vergeleken met een land als Italië, waar deskundigen desnoods jaren met een 'oudheidkundig' beeld in de weer zijn om de Paul Getty Foundation in Malibu miljoenen lichter te maken, kent Nederland op archeologisch gebied verder voornamelijk klungels. Als ze vuursteentjes vervalsen, werktuigjes uit de midden-steentijd, verzinnen ze net even te bizarre vormpjes. Als ze een vuistbijl imiteren smeren ze hem in met schoensmeer dat een heel ander patina te zien geeft dan geoxydeerd brons. En als iemand bij wijze van grap van een fossiele haaientand een gegraveerde hanger maakt, gebruikt hij een elektrisch boortje waar Fred Flintstone niet van had durven dromen.

In een begeleidend boekje vertelt Leo Verhart, samensteller van de tentoonstelling, hoe vervalsingen steeds weer een afspiegeling zijn van wetenschappelijke vorderingen op archeologisch gebied, hoe historisch besef en het onvermijdelijke verval aan de ontmaskering van menig voorwerp hebben bijgedragen en hoe de uniciteit van een vondst ook ten onrechte een authenticiteitsverklaring in de weg kan staan.

Neem nu 'De Venus van Geldrop', een bijna onzichtbare gravering op een zandsteentje dat in 1962 werd ontdekt. Het laat een dansende, bijna naakte vrouw zien, die, bij gebrek aan soortgenoten, als uiterst verdacht terzijde werd geschoven. Maar nu, ruim dertig jaar later, liggen de kaarten heel anders. Want in de kelder van het gemeentehuis in Venray is intussen 'De Danser van Wanssum', opgedoken. Een soortgelijke prehistorische steengravering, maar dan van een bijna naakte heer die een danspasje maakt. Samen staan ze sterker, maar echt overtuigd zijn de deskundige toeschouwers nog steeds niet.

T/m 9/3/97 in Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28, Leiden. Di. t/m za. 10-17 uur, zo. 12-17 uur. L. Verhart: List en bedrog; ISBN 90 5345 077-7; ƒ 19,95.