Microtonaal Festival moet het 31-toonssysteem uit isolement verlossen; Valsheid wordt bestreden met valsheid

Zuiver muzikaal - Microtonaal festival met lezing, concerten, expositie. 6-13/10 Teylers Museum Haarlem. Inl.: 020-6921593

Zonnestralen hullen de toonzaal in een speels diffuus licht. De manshoge elektriseermachines, Leidse flessen, parabolische spiegels en vitrines vol fossiele vondsten zijn ontzagwekkend. Temidden van deze wetenschappelijke rariteiten in het Haarlemse Teylers Museum bevinden zich twee opzienbarende muziekinstrumenten, gebouwd volgens streng akoestische inzichten. Het betreft twee 31-toonsorgels, ontworpen door prof.dr. Adriaan Daniël Fokker (1887-1972), vooraanstaand fysicus en voormalig curator van het museum.

Het prototype op de begane grond is onbespeelbaar, maar het exemplaar onder de ronde lichtkoepel van de verdieping doet nog volop dienst. Hierop geeft organist Joop van Goozen (36) geregeld uitvoeringen. Zo speelt hij op 13 oktober muziek van Peter Schat, Ivan Wyschnegradsky en Johann Jacob Froberger tijdens zijn recital dat de afsluiting vormt van een minifestival met microtonale muziek, georganiseerd door de Stichting Huygens-Fokker die dit jaar vijftig jaar bestaat.

De pijpen van het Fokker-orgel zijn verdekt opgesteld in de bezemkasten van de balustrade; vóór bespeling dient Van Goozen eerst de deuren open te zwaaien. Een amusant schouwspel, dat echter in het niet valt bij de aanblik van de twee bizar ogende manualen. Deze hebben op het eerste gezicht meer gemeen met de gedateerd moderne bedieningspanelen uit de sf-serie Star Trek dan met de speeltafel van een orgel. Van Goozen: “De witte toetsen zijn de stamtonen; deze beschrijven trapsgewijs een diagonaal naar boven. De zwarte toetsen zijn de tonen met een mol of een kruis, met dien verstande dat er een verschil bestaat tussen cis en des. De blauwe toetsen zijn opvullingen - tussen de c en de cis bestaat hier nog een extra stapje: de ci.

“Deze tussenstapjes worden diëses genoemd. Als je op dit orgel langzaam een toonladder speelt, hoor je duidelijk de stappen van steeds eenvijfde toon, maar naarmate je sneller speelt wordt het een glissando.” Daarmee bevinden we ons midden in de complexe materie van het door Fokker gepropageerde systeem, waarbij het octaaf is onderverdeeld 31 tonen, in plaats van de gebruikelijke twaalf.

Van Goozen: “Het 31-toonsysteem dateert uit de zestiende eeuw, de tijd van de middentoonstemming. Die stemming is, anders dan tegenwoordig het geval is, gebaseerd op reine tertsen. Als je drie grote reine tertsen opeenstapelt, kom je niet precies op het octaaf uit, maar een fractie daaronder. Van de minuscule afstand die resteert tussen die twee tonen passen er precies 31 in het octaaf en dit interval vormt dan ook de bouwsteen van het systeem.”

De ontwikkeling in de muziek is de afgelopen eeuwen sterk gericht geweest op expansie. Musici wilden in zoveel mogelijk toonsoorten spelen en ook de muzikale vormen expandeerden. Mahler componeerde reuzensymfonieën met tal van tonale centra en reeds Bach verkende in Das wohltemperierte Clavier elk van de 24 toonsoorten. In de middentoonstemming zou zoiets ondenkbaar zijn omdat je daarmee slechts in een handvol toonaarden zuiver kunt spelen - de overige zijn criant vals.

In de zeventiende eeuw is daarom besloten tot een compromis. Voortaan werd alleen het octaaf nog zuiver gestemd en nam men voor alle overige intervallen genoegen met een beetje onzuiverheid. Zelden is er zo'n succesvol pact gesloten als bij deze stemming van de zogenaamde 'gelijkzwevende temperatuur', waarbij feitelijk werd bepaald dat Vals voortaan voor Zuiver moest doorgaan. Met als gevolg: tot op de dag van vandaag spelen symfonieorkesten, waar ook ter wereld, kattevals en wordt de piano bij de halfjaarlijkse stembeurt, omwille van het compromis, systematisch ontstemd.

Niet iedereen nam dat op de koop toe. Al in de zeventiende eeuw ontwikkelde Christiaan Huygens, ook de uitvinder van slingeruurwerk, een volledig op natuurwetenschappelijke inzichten gebaseerd 31-toonsysteem. In onze eeuw werd geëxperimenteerd met de verdeling van het octaaf in 24 tonen (Ivan Wyschnegradsky, Alois Hàba), in 72 (Franz Richter Herf) en zelfs in 96 stappen (Julian Carrillo). Van Goozen: “In de achttiende eeuw heeft de Zwitserse geleerde Euler bovendien twaalftoonladders uit het 31-toonsysteem van Huygens gedistilleerd die ook in dit Fokker-orgel worden gebruikt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestudeerde Fokker de werken van Christiaan Huygens, en vatte hij het plan op een nieuw klavier te ontwerpen. In 1950 is dit orgel ten slotte geplaatst in Teylers Museum.”

Het was de componist van Dikkertje Dap, Paul van Westerling, die zich als eerste organist verdiepte in de complexe klankwereld van Fokker. De lancering van het 31-toonsysteem kon in deze periode op veel belangstelling rekenen omdat het systematisch denken in het componeren hoogtij vierde. In Nederland wist Fokker componisten als Henk Badings, Hans Kox en Peter Schat voor zijn systeem te winnen. In het geval van Schat bleef het bij een eenmalig experiment, Collages.

Schat zegt niet met het systeem overweg te hebben gekund en eindigde zijn stuk met wat hij noemt 'wanhoopsclusters' - met de gehele onderarm op het klavier gespeelde klankblokken, die volgens Fokker voorbijgingen aan de nuances van het systeem. Tegenwoordig distantieert Schat zich van dit jeugdwerk, maar Van Goozen vindt het desondanks een geslaagd werk. “Een cluster op een 31-toonsorgel klinkt heel anders dan een cluster op een piano. Het geeft veel meer het idee van een klankwolk. Je merkt wel dat Schat geworsteld heeft met de materie, maar het stuk opent absoluut nieuwe gezichtspunten.”

Na een korte bloeitijd speelt het componeren met 31 tonen tegenwoordig een geïsoleerde rol in de muziekpraktijk. De Stichting Huygens-Fokker, die zich als geestelijk erfgenaam van Fokker heeft opgeworpen, kiest daarom voor een bredere benadering, zegt directeur Marian van Dijk. Het microtonaal festival slaat via de middentoonstemming een brug naar de oude muziek. Ook is op haar initiatief buiten-Europese muziek in het programma opgenomen.

Of al na een halve eeuw Stichting Huygens-Fokker een balans kan worden opgemaakt valt te betwijfelen, maar Fokkers pleidooi voor het 31-toonsysteem heeft veel weg van Don Quichots strijd tegen de windmolens. Het is ontegenzeggelijk een boeiende queeste, maar de gemiddelde luisteraar klinkt een werkelijk zuiver gestemde terts ronduit vals in de oren en ook aan musici is het arbeidsintensieve toonsysteem nauwelijks besteed. Verreweg de meeste componisten hebben bovendien genoeg aan het aantal mogelijke combinaties bij het componeren met twaalf tonen: 479.001.600.