Lacune kennis Nederlands blijvend

PRETORIA, 30 SEPT. 'Nederlandse boeken' staat er veelbelovend op een van de boekenkasten van Exclusive Books, een winkel in het centrum van Pretoria. Bij nader inzien valt de oogst in de kast echter tegen. Echt Nederlands zijn alleen twee werken van Adriaan van Dis, Indische Duinen en In Afrika. De Virtuoos van Margreet de Moor staat er ook, maar dan in mooie gebonden Engelse vertaling.

W.F. Hermans, de schrijver die Zuid-Afrika bleef bezoeken toen dat officieel niet meer mocht van de Nederlandse regering, ontbreekt in het rijtje.

“Het is eigenlijk nog best aardig wat hier staat”, verklaart een verkoopster. “Tot het begin van dit jaar hadden we helemaal niets. Toen kon je voor Nederlandse boeken alleen in de academische boekwinkels van Pretoria terecht.”

Nieuwsgierig naar de reden van de belangstelling van de bezoeker voor het onderwerp, hoort ze voor het eerst dat maandag de Nederlandse koningin op bezoek komt en dat op diezelfde dag de ministers van Buitenlandse Zaken van Nederland en Zuid-Afrika een nieuw cultureel verdrag zullen ondertekenen. “Nou, in dat geval ga ik wat meer Nederlandse boeken inkopen', zegt ze. “Wat leest uw koning graag?”

Het nieuwe cultureel verdrag “markeert het definitieve einde van de boycot” door Nederland van Zuid-Afrika, zo staat te lezen in de toelichting van de verdragstekst die vandaag bij het begin van het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Zuid-Afrika is ondertekend. Het oude verdrag werd in 1981 door de Nederlandse regering opgezegd uit protest tegen “de apartheidswetten die in het Nederlands zijn geschreven”, zoals PvdA-voorman J. den Uyl in 1983 zei. De boycot was dan ook niet alleen van politieke betekenis, het was ook een afscheid van de culturele banden met de Afrikaans sprekende Zuid-Afrikanen.

“De opzegging van het oude verdrag heeft voor een lacune in de kennis over de Nederlandse taal en literatuur gezorgd die nooit meer helemaal op te vullen valt”, zegt dr. H. Roos, professor in het Zuid-Afrikaans en Nederlands aan de Universiteit van Zuid-Afrika te Pretoria. “Onze bronnen droogden in die tijd als het ware op doordat uitwisselingen en gezamenlijke congressen met Nederland niet meer mogelijk waren. De nieuwe generatie studenten is inmiddels meer op het Anglo-Amerikaans gericht.

Degenen die wel belangstelling hebben voor het Nederlands, komen aan een actief gebruik van de taal niet meer toe. Wat overblijft is voornamelijk de Nederlandse letterkunde. W.F. Hermans is de bekendste schrijver, maar dat komt vooral omdat zijn boeken verplichte stof zijn voor het curriculum.''

Het 'inhaalprogramma' dat de Nederlandse Taalunie in 1994 startte had wat Roos betreft dan ook beter 'redden-wat-er-te-redden-valt'-programma kunnen heten. Het driejarig programma, waarnaar ook in het nieuwe cultureel akkoord wordt verwezen, omvat onder meer projecten voor nascholing in Nederland van docenten Nederlandistiek van Zuid-Afrikaanse universiteiten, uitwisseling van schrijvers, en beurzen voor studenten.

Roos is secretaris van de Suider Afrikaans Vereniging vir Neerlandistiek waarmee de Taalunie samenwerkt. Organisaties als deze spelen een sleutelrol bij de uitvoering van het nieuwe verdrag. Was het oude cultureel akkoord uit 1951 nog een zaak van de twee regeringen, het nieuwe verdrag gaat vooral uit van activiteiten van maatschappelijke instellingen in Nederland en Zuid-Afrika. Ook Vlaamse organisaties kunnen daarbij een rol spelen. Na het 'opdrogen van de Nederlandse bronnen' is Vlaanderen steeds belangrijker geworden bij de verspreiding van de Nederlandstalige cultuur. Docenten die niet meer in Nederland mochten komen, gingen naar de universiteit van Leuven, aldus Roos.

Door veel aan maatschappelijke organisaties over te laten lijkt het onzeker in hoeverre zwarten zullen profiteren van de mogelijkheden uit het nieuwe culturele verdrag. Het akkoord kent geen bepaling die aan die bevolkingsgroep een voorkeursbehandeling toekent.

Toch is Roos optimistisch over de zwarte deelname aan uitwisselingen op taalgebied. Aanmeldingen voor beurzen worden weliswaar niet geselecteerd op ras, - “een te pijnlijk criterium voor Zuid-Afrika” - maar wel op financiële behoefte en of de aanvrager uit een sociale achterstandsgroep komt. Zelfs voor een typisch blank onderwerp als het Afrikaans en Nederlands bestaat belangstelling onder zwarte studenten. Die hangt onder meer samen met de mogelijkheid om via het Nederlands toegang te krijgen tot andere Europese talen. “Nederlands is voor onze studenten toegangspoort tot Europa”, aldus Roos.