Klassenstrijd

Milo Anstadt maakt een kleine vergissing als hij stelt dat Marx de arbeidersklasse een prachtig middel aan de hand heeft gedaan: de klassenstrijd (NRC HANDELSBLAD, 21 september). Zoals de oude meester zelf aantoont is die ten eeuwige dagen aan de gang en hij zal ook niet eindigen zolang het produktiemiddel kapitaal in particuliere handen is.

Hij komt immers voort uit de fundamentele belangentegenstelling tussen kapitaal en arbeid.

Omdat er op dit moment geen krachtige arbeidersbeweging is die naar fundamentele verandering van onze maatschappij streeft, heeft Anstadt gemeend dat ook de klassenstrijd is opgehouden. Niets is minder waar, ook al uit hij zich (tijdelijk) in zwart werken, kleine acties in plaats van in massale stakingen en oproer. Bij sluiting van bedrijven en massa-ontslagen houden werknemers zich opvallend koest.

De vakbeweging - die zelfs niet meer reformistisch mag worden genoemd - probeert slechts korte termijn-successen te behalen als loonsverhogingen en arbeidstijdverkorting voor de werkenden. Zij is zo ongeveer de laatste om meer dan lippendienst te bewijzen aan de zaak van de langdurig werklozen, gehandicapten, bijstandsmoeders en anderen die in deze afgesleten verzorgingsstaat aan de onderkant van de maatschappij terecht zijn gekomen. Die groepen zijn voor wat betreft hun aandeel in de welvaart geheel afhankelijk van de overheid, die uiteraard verstrengeld is met het bedrijfsleven.

Zo lijkt het erop dat zij die de dienst uitmaken in het internationale kapitalisme voorlopig vrijwel ongehinderd hun gang kunnen gaan. Pas als veel grotere groepen dan de huidige met de gevolgen van dit ongebreidelde kapitalisme en het teloor gaan van de sociale voorzieningen aan den lijve kennis maken zal er een tegenbeweging op gang komen.

Aan de economische groei zijn materiële, ecologische en psychologische grenzen, het wachten is erop wanneer die zullen worden bereikt. De klassenstrijd zal zich dan waarschijnlijk op minder zachtzinnige wijze manifesteren. Voorlopig is allerwege de houding: wie dan leeft, wie dan zorgt.

    • Willem Langeveld Amsterdam