Er was geen sprake van belangenverstrengeling

Heeft VVD-leider Bolkestein zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling door als commissaris van de farmaceutische onderneming MSD actief bij minister Borst van Volksgezondheid te lobbyen? Voorafgaand aan de persconferentie die afgelopen zaterdag op Schiphol werd gehouden, gaf Bolkestein de volgende verklaring.

Over mijn commissariaat bij Merck, Sharp & Dohme MSD zou ik graag in mijn korte inleiding vier punten naar voren willen brengen.

In de eerste plaats: ik ben commissaris bij MSD sinds 1990. Toen ik dat werd, heb ik nog eens nagekeken wat er in de wet staat over de taak van een commissaris. Commissarissen van een vennootschap en van de daarmee verbonden onderneming, hebben in de eerste plaats de taak toezicht uit te oefenen op het bestuur. In de tweede plaats staat in de wet dat zij zich bij het vervullen van hun functies moeten richten naar het belang van die onderneming. Er staat dus in de wet dat commissarissen moeten opkomen voor de belangen van de onderneming waar zij commissaris zijn. Dat is duidelijke taal en ik wijs uw aandacht daar nadrukkelijk op.

Het tweede punt is dat ik het daarom volstrekt normaal vond en vindt dat deze onderneming zich tot mij heeft gericht met verzoeken voor hulp. Volstrekt normaal. Ik vond - en vindt - het ook volstrekt normaal dat ik die hulp heb gegeven, voorzover dat kon en in mijn vermogen lag en daartoe op drie punten contact heb gezocht met minister Borst. Ik heb dat evenwel gedaan op een zorgvuldige en terughoudende wijze.

Ik heb - zoals ik u zei - driemaal contact opgenomen met minister Borst. Ik heb elke keer daarbij nadrukkelijk vermeld dat ik dat deed als commissaris van MSD. Daar kan dus geen schaduw van een twijfel, bij wie dan ook, bestaan dat ik dat in enige andere capaciteit heb gedaan dan als commissaris van dat bedrijf. In het gesprek ben ik begonnen met de zin die ik zojuist heb uitgesproken en de twee brieven begonnen met 'in mijn hoedanigheid van commissaris van MSD'.

Ik ben zorgvuldig en terughoudend geweest, omdat ik in geen van de drie gevallen nadere opvolging aan mijn verzoek heb gegeven. Ik heb mij onthouden van nog eens een brief over hetzelfde onderwerp of nog eens een gesprek, behalve het gesprek met de directeur-generaal Sangster, dat plaats had op verzoek van het ministerie, van de minister of van hemzelf - in ieder geval niet van mij. Dat is dus het tweede punt: zowel zorgvuldig als terughoudend.

Het derde punt is dat er geen enkele belangenverstrengeling is. Ik heb mij ook in mijn functioneren als lid van de Tweede Kamer op geen enkele wijze ingelaten met dit thema. Ik heb nooit, noch plenair, noch zelfs in mijn eigen fractievergadering het woord gevoerd over de Prijzenwet en die twee medicijnen zijn, bij mijn weten althans, nooit in de Tweede Kamer ter sprake gekomen. Ik heb mij buiten de hele discussie gehouden, zowel plenair als in mijn eigen fractie. Ik heb dus op geen enkele wijze invloed uitgeoefend op de oordeelsvorming van mijn fractie.

Ik heb natuurlijk wel onze woordvoerster, Margreet Kamp, [lid van de Tweede Kamerfractie van de VVD] in kennis gesteld van wat ik tegen minister Borst had gezegd. Dat betreft een zeer wezenlijk punt, namelijk het onderscheid tussen gepatenteerde medicijnen en uit patent gelopen - generieke - medicijnen. Dat is een zeer valide punt. Dat vind ik nog steeds. Ik heb Margreet Kamp daarvan in kennis gesteld, zodat zij dat kon gebruiken in haar verdere contacten met Nefarma en bij haar verdere werk in de Tweede Kamer.

U moet verder weten - voor zover u dat al niet weet - dat onze woordvoerster Margreet Kamp, zij het met tegenzin, want liberalen houden van prijzenwetten, voor de wet heeft gestemd. Mijn fractie heeft voor die wet gestemd, ik heb dat zelf ook gedaan. Ik heb ook niet geprotesteerd in mijn fractie of waar dan ook. Ik heb dus het oordeel van mijn fractie gevolgd, zoals ik dat gevolgd zou hebben bij ieder willekeurig ander onderwerp. Meestal scheppen wij vertrouwen in onze woordvoerster of woordvoerder. Ik heb dat ook in dit geval gedaan. Er kan dus geen sprake zijn van een belangenverstrengeling. Ik heb dat totaal gescheiden gehouden. Ik heb mij in de Tweede Kamer op geen enkele wijze gemengd in de discussie over de Prijzenwet of over andere aangelegeneheden. Ten vierde. Nu komt er een debat in de Kamer heb ik begrepen. Dat zal dan gaan - moet ik vermoeden - over mijn handelwijze. Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen. Ik zal collega's die mij bevragen naar waarheid antwoorden, voorzover ik daartoe in staat ben. Maar er zijn natuurlijke aanverwante onderwerpen die dan ook moeten worden besproken. Ik ben commissaris bij dat bedrijf. Dat is een betaalde nevenfunctie. Gesteld, ik heb een onbetaalde nevenfunctie. Ik ben lid van het bestuur van de toneelgroep 'Trust'. Is het geoorloofd dat ik die functie een gesprek heb met staatssecretaris Nuis, om te pleiten voor toneelgroep 'Trust'?

Ik ben voorzitter van het bestuur van de Amsterdamse Bach-solisten. Mag ik staatssecretaris Nuis uit dien hoofde aanspreken, of is dat niet geoorloofd? Dat is naast het eerste punt dat mijzelf betreft het tweede algemene punt. Het derde algemene punt is dat er mensen zijn die verbonden zijn met een bedrijf. Misschien hebben zij een landbouwbedrijf, misschien hebben zij een transportbedrijf, misschien zijn zij advocaat, misschien zijn zij huisarts. Er zijn allerlei wijzen waarop de mensen nevenfuncties hebben.

Is het juist, is het oorbaar, dat die mensen het woord voeren op het terrein waarop zij dat belang hebben? Is het oorbaar dat agrariërs in de Kamer spreken over landbouwpolitiek?

In de vierde plaats zou ik willen weten of het oorbaar is dat men de regering in kennis stelt wat men terloops hoort. Ik herinner mij dat ik minister Wijers heb geattendeerd op een bericht dat mij ter ore was gekomen. Het ging om een bedrijf waar de overheid een achtergestelde lening aan had gegeven en ik had gehoord dat het niet zo goed ging met dat bedrijf. Ik heb minister Hans Wijers dat verteld, want ik dacht: dat is informatie die hij kan gebruiken. Dat is informatie die ik weer terloops heb ontvangen. Iedereen praat met iedereen en je hoort wel eens een zaak waarvan je denkt: nou, het zou niet gek zijn als minister Borst, minister Wijers, staatssecretaris Nuis daar iets van af wisten.

Als het van mij afhangt, zou het debat in de Kamer ook over al die gevallen gaan. Dat is wat ik bij wijze van inleiding zou willen zeggen.