Westen heeft nieuwe Vrede van Westfalen nodig

Bij mijn weten de scherpzinnigste analyse van de gebeurtenissen na afloop van de koude oorlog is de nieuwe publicatie die Bryan Hehir heeft geschreven voor het Woodrow Wilson Center, over het gebruik van geweld in de nieuwe tijd. Hehir, rooms-katholiek priester en kenner van het beleidsvormingsproces in Washington, doceert aan de theologische faculteit van Harvard University en is daar tevens verbonden aan het Centrum voor Internationale Aangelegenheden.

Gedurende de Koude Oorlog, zo stelt hij, was de nucleaire krachtsverhouding tussen de grote mogendheden noodgedwongen hét grote politieke en morele vraagstuk. Maar daarna, toen de nucleaire dreiging van de Sovjet-Unie verminderde, werd dat de kwestie van de militaire interventie.

Niet dat het middel van de interventie in de Koude Oorlog onbekend was. Maar de toepassing ervan werd beperkt door de wederzijds vereiste omzichtigheid en door de beproefde orde-scheppende beginselen waarmee Europa zichzelf bij de Vrede van Westfalen in 1648 had gered uit een toestand van wat wel een permanente oorlog leek.

U kent de Vrede van Westfalen nog wel van school? De voornaamste elementen van de nieuwe wereldorde die toen werd gevestigd waren: de soevereiniteit van staten, het noninterventiebeginsel en de scheiding van godsdienst en politiek. Anders gezegd: trek nationale grenzen, respecteer die grenzen, en houd het explosief dat godsdienst heet buiten de politiek.

Dit “Westfaalse akkoord”, zo houdt Hehir ons voor, “is altijd een precaire morele keuze geweest waarbij men conflicten tussen staten tegenging door alle staten te binden aan een categorisch verbod op interventie. Dit precaire akkoord begint scheuren te vertonen.” De staatssoevereiniteit ligt onder vuur - met als oorzaken onder meer de oprichting van de Verenigde Naties en het toenemende beroep op de rechten van de mens. De strikte scheiding van godsdienst en politiek is in Latijns-Amerika, het Midden-Oosten en elders allang vervaagd.

Interventie? Tijdens de Koude Oorlog was het de vraag hoe men interventie beperkt kon houden om eventuele escalatie tot een nucleair conclict te voorkomen. Thans, nu de nucleaire dreiging sterk is verminderd door het verdwijnen van de Sovjet-Unie als wereldmacht, vraagt men zich af of staten soms niet juist de plicht hebben te interveniëren. Er bestaat nog een oud - en wijs - gevoelen dat interventie verkeerd is, maar gevoelens moeten soms wijken voor bijzonder omstandigheden.

Hehir belicht politieke kwesties vanuit een ethische zienswijze die diep in onze hele maatschappij verankerd ligt, en niet alleen in zijn kerk.

Hij zou verder willen gaan dan de al bestaande uitzondering in het internationale recht dat interventie toelaat in geval van genocide. Hij schrijft: “Waar zich 'etnische zuiveringen' voordoen en andere omstandigheden waardoor de kans op escalatie tot een wereldoorlog er belangrijk kan worden verminderd, kan een hogere verplichting tot interveniëren bestaan.”Tegelijkertijd wil hij overigens een aantal checks and balances in de besluitvorming omtrent interventies inbouwen. Met de wijze waarop George Bush de Golfoorlog heeft geleid als voorbeeld, zou hij de bevoegdheid tot interveniëren zo beperken dat de interveniërende mogendheden - of mogendheid: één kan al genoeg zijn - eerst multilaterale toestemming moet vragen, zoals president Bush deed bij de Verenigde Naties. Ook zou hij 'middelenstandaards' willen vaststellen die 'zeer streng' zouden zijn, alvorens het groene licht te geven voor een interventie.

Hehir besluit: “Het beste dat we kunnen doen met een afbrokkelende Westfaalse orde is wellicht haar iets te verruimen - van absolute soevereiniteit en absolute noninterventie naar een relatieve soevereiniteit en een relatieve noninterventie. Bij voorbeeld onder de naam Nieuw Westfaals Akkoord.”

Of het 'Nieuw Westfaals Akkoord' dé kreet van de komende jaren wordt, betwijfel ik, maar me dunkt dat Bryan Hehir buitengewoon verstandige dingen zegt over de politieke verwikkelingen in het tijdperk na de Koude Oorlog. Zijn ideeën verschaffen geen eenvoudig schema voor de dagelijks besluitvorming, maar wat ze wel bieden is van meer waarde: een gedegen context om die beslissingen in te nemen.

Voor de Verenigde Staten gaat het bij die keus zoals altijd primair om de vraag of het land een deel van de flexibiliteit en het initiatief die het als enige supermogendheid bezit, wil verruilen voor de restricties en de gemoedsrust van consensus en saamhorigheid wat betreft de belangrijkste kwesties. Deze vraag wordt nu aan de orde gesteld door Irak, waar president Bill Clinton afweegt of en hoe hij de interventies zal voortzetten voor doeleinden die hem aan het hart gaan, maar die de bondgenoten van de VS niet ten volle onderschrijven.

Mijns inziens is er veel te zeggen voor het 'Nieuw Westfaals Akkoord' - een werkwijze waarbij het principe van respect voor de staat wordt gehuldigd naast dat van interventie voor de goede zaak - met restricties over en weer. Zo'n werkwijze sluit goed aan bij de diverse, steeds wisselende omstandigheden op het wereldtoneel waarin de Verenigde Staten optreden als supermogendheid. Ze schept een kader waarin het Amerikaanse buitenlands beleid met zijn rijke traditie van idealisme en moreel fatsoen gepaard kan gaan met de toepassing van geweld.

© The Washington Post