Universiteiten verlaten het egalitaire systeem; Exclusief voor excellenten

De Nederlandse universiteiten zijn ingrijpend aan het verbouwen. De oude ideologie van gelijke kansen wordt afgebroken en overal zijn speciale paden uitgezet voor de beste academici. 'Het brandhout wordt geleidelijk gesnoeid.'

Professor Hans Adriaansens ziet het voor zich. In dàt gebouw komen de humanities, dáár de sciences en ginds social sciences, wijst hij voor de ingang van de Utrechtse Kromhout-kazerne. Langs hem fietsen frisse meisjes door een nazomers zonnetje naar het betonnen universiteitscentrum De Uithof, buiten de stad. Maar Adriaansens heeft alleen oog voor de bakstenen gebouwen en het lege exercitieterrein achter het hek. “De carré van Harvard is misschien iets compacter, maar het ziet er precíes zo uit”, zegt Adriaansens, die alvast 'dean' op zijn visitekaartje heeft laten zetten. “Dit is gewoon gemaakt voor een campus.”

Vanaf eind 1997, als de laatste soldaten zijn vertrokken en als de gemeente definitief toestemming geeft, zal hier het Utrecht University College zijn gevestigd: een intensieve driejarige opleiding in de letteren, natuurwetenschappen en sociale wetenschappen naar Amerikaans en Brits voorbeeld, voor studenten uit binnen- en buitenland, tegen een vergoeding van 12.000 gulden voor kost en inwoning per jaar. Na afloop krijgen ze een bachelors-diploma, waarna ze in Nederland of daarbuiten een doctoraal- of masters-diploma kunnen halen. 'Oxford onder de Dom' wordt geen “bollebozen-instituut voor eendimensionale hoogbegaafden die verder een nerd zijn”, zegt Adriaansens. “We willen selecteren op motivatie, ambitie en communicatieve vaardigheden.”

De Utrechtse universiteit is niet de enige die verbouwt. Delft, Amsterdam, Leiden, Groningen en Rotterdam ontplooien verwante initiatieven om speciale groepen studenten te binden en om te selecteren op kwaliteit. Dat was ook wel nodig. De universiteiten hebben ontdekt dat hun onderwijs decennia lang slechter is geworden, dat hun toponderzoek heeft moeten lijden onder de middelmaat, en dat zij teleurgestelde doctorandussen afleveren met een diploma dat ook internationaal vaak niet is te verzilveren.

Vloeken

“Het kon zo niet doorgaan”, zegt professor Ton van Raan, die in Leiden onderzoek doet naar de ontwikkeling van wetenschap en technologie. Hij ziet daarvoor twee hoofdoorzaken: “Ten eerste geeft de economie aan dat de bomen niet meer tot in de hemel groeien, dus zijn keuzes op kwaliteit onvermijdelijk geworden. En ten tweede is er een algehele weerzin gegroeid tegen de doorgeslagen democratisering; veel hoogleraren zijn fed up van het universitaire systeem waarin slecht en middelmatig onderzoek om de lieve vrede gewoon konden doorgaan.”

“Er wordt nu vooral gediscussieerd over de rol van de studenten in het faculteitsbestuur en dat is natuurlijk goed, want een miljoenenbedrijf hoort niet door melkmuiltjes gerund te worden, die horen alleen in onderwijscommissies te zitten. Maar er is nog te weinig gezegd dat het oude systeem jonge onderzoekers en docenten geen kans geeft, dat we jong talent in de steek laten ten gunste van ouderen die niets meer presteren.”

“Hier, dit bedoel ik”, zegt Van Raan en toont een brief van de dienstencommissie van zijn faculteit, die eist dat bij de huidige reorganisatie 'ontslag alleen in uitzonderingsgevallen op grond van kwaliteit' wordt verleend 'in plaats van anciënniteit' - last in, first out, dus.

“Als het gaat om topkwaliteit staan die belangen haaks op elkaar”, zegt Van Raan, die nog twee andere factoren noemt voor de kentering in het academische getij. “De werkelijke macht is anders komen te liggen doordat er buiten de 'eerste geldstroom' [de rechtstreekse financiering door het ministerie] veel meer mogelijkheden zijn gekomen om geld te werven voor wetenschappelijk onderzoek, vooral voor medische vakken, natuurwetenschappen, maar ook in de sociale wetenschappen. Vroeger moest je op je knieën liggen voor de faculteitsraad. Nu kun je vaak zeggen: bekijk het maar. Mijn groep leeft voor 85 procent van externe middelen, inclusief voorschotten van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor fundamenteel onderzoek. En ten slotte zijn de studenten zelf ook veranderd: die zijn ook meer no nonsense geworden.”

De huidige veranderingen betekenen de sloop van een hele reeks ideologische monumenten. Het was nooit moeilijk om uit de mond van docenten, onderzoekers en bestuurders woede en frustratie op te tekenen over regelzucht en kaalslag door generaties ministers van onderwijs. Maar hardop suggereren van speciale opleidingen voor speciale studenten, toelating op grond van ambitie en motivatie, of financiële drempels gold binnen de universiteit kort geleden toch als vloeken in de kerk.

Wie bij de opening van het academisch jaar, eerder deze maand, luisterde naar de redes van rectoren, ministers en andere gastsprekers, kon vaststellen dat de dogma's van de jaren zestig en zeventig overboord gezet lijken te worden. Studenten zijn niet allemaal even slim, ze verwachten niet allemaal hetzelfde van hun studie en het Nederlandse egalitaire bestel levert over het algemeen matig gekwalificeerde academici op waar de wetenschap en de markt maar matig blij mee zijn.

“Een nationaal publiek stelsel en een beleid van gelijke ontwikkelingskansen kunnen door een gebrek aan differentiatie en profilering leiden tot middelmatigheid, dat wil zeggen tot een gebrek aan kwaliteit en vooral topkwaliteit”, zei drs. J.G.F. Veldhuis, voorzitter van het Utrechtse college van bestuur in de Domkerk. “Zeker in het wetenschappelijk onderwijs is dit onaanvaardbaar”.

Utrecht werkt daarom binnen bestaande studierichtingen aan 'sporen' voor 'excellente' en niet zo excellente studenten. Als het met de laatsten niks wordt, kunnen ze in de toekomst zelfs een bindend 'verwijzingsadvies' krijgen: ophouden of iets heel anders gaan doen.

Delft, Leiden, Groningen, Rotterdam en Amsterdam werken aan soortgelijke ideeën over selectie en differentiatie, langere en kortere opleidingen voor en na het doctoraal, al dan niet geprivatiseerd. Zo krijgt Delft een vervolgopleiding voor degenen die met 'excellent' resultaat een driejarige universitaire opleiding hebben voltooid. Leiden begint met graduate opleidingen in het Engels, onder meer bij geschiedenis en rechten. Uitblinkers in de Leidse rechtenfaculteit konden overigens aan het einde van hun studie al een speciale cursus, een zogeheten Privatissimum volgen.

Groningen, ten slotte, is dit jaar begonnen om zich te profileren ten opzichte van Rotterdam en Nijenrode - die al langer voor een masters-graad in business administration (MBA) opleiden - door het openen van een eenjarige masters-opleiding in international business science (MBSc). Die studierichting staat open voor buitenlandse bachelors en Nederlandse doctoraalstudenten economie of bedrijfskunde, die in de Verenigde Staten van Europa willen meekomen.

Brede basis

Het lijkt nog wat vroeg om te spreken van “een nieuwe renaissance van de universiteiten”, zoals minister Ritzen van Onderwijs onlangs deed in een vraaggesprek met Vrij Nederland. Maar na decennia vanuit Zoetermeer vooral te zijn “aangestuurd” lijken de universiteiten wel met enige graagte zijn advies ter harte te nemen: “Jullie moeten er zelf voor gaan zorgen dat je aantrekkelijk bent in de ogen van je studenten.”

Des te eenzamer klonk de stem van dr. K.L.L.M. Dittrich, bestuursvoorzitter van de universiteit van Limburg - misschien niet toevallig de enige bestuurder die niet kampt met een slinkend aantal studenten. Hij waarschuwde voor een al te grote nadruk op topprestraties en topinstituten. “Kwaliteit heeft tijd nodig”, zei hij, en kan alleen ontstaan op de 'brede basidie, zo vreest hij, veel Nederlandse instellingen nu juist zullen wegsaneren. “Politiek en universiteiten lijken verwikkeld in een haasje-over waarin niet langer de belangen van veel jonge mensen overheersen, maar de scoringsdrift om de absolute top te identificeren”, aldus Dittrich.

Hij legde daarmee wel een dilemma bloot waarmee zijn collega's desondanks blijven worstelen: moeten al die 'paden', 'filters' en 'selecties' achter de poort niet gewoon verhullen dat selectie aan de poort nog steeds taboe is? Bij gebrek aan betere methodes blijft de Zoetermeerse zeis over het maaiveld zoeven. Voor de Meikes Vernooij, die er met een gemiddeld eindexamencijfer van 9,6 en een meer dan gemiddelde ambitie om medicijnen te gaan studeren bovenuit steken, is dat fataal. Ritzen draaide het besluit van de Rotterdamse Erasmus-universiteit, die haar aanvankelijk een plaats had beloofd, terug en bepaalde dat zij alsnog moest loten. Ze werd uitgeloot.

Degenen die loting en numerus fixus willen afschaffen, putten hoop uit het politieke tumult over de zaak-Meike Vernooij. Maar haar geval kan de tegenstanders nog niet vermurwen. De Utrechtse collegevoorzitter Veldhuis nu: “Ik ben tegen een universitair toelatingsexamen. Dat geeft toestanden als in Frankrijk met een classe préparatoire, of als in Amerika met secundair onderwijs op mindere scholen en betere, waar kinderen worden klaargestoomd voor het hoger onderwijs, waar de betere milieus het weer beter zullen kunnen doen. MAVO, HAVO en VWO betekenen genoeg voorselectie. Daarna nog eens selecteren heeft asociale trekjes en leidt bijvoorbeeld tot vriendjespolitiek en nepotisme. In veel buitenlanden kunnen ze niet geloven dat mjn zoon wordt uitgeloot voor geneeskunde, want daar is het anders geregeld.

“We moeten een balans vinden tussen gelijke kansen voor eenieder en zo goed mogelijk onderwijs. De universiteit moet opleiden tot excellentie en dient gaandeweg die opleiding te selecteren. Dat hebben we ook altijd gedaan: met cijfers, en in het uiterste geval met een consilium abeundi [het advies ermee op te houden, HS]. Er is een tijd geweest dat we dat niet teveel mochten benadrukken, maar het moet weer. Het is eigen aan de universiteit om te durven selecteren tussen goed, beter en best.”

Maarschalkstaf

Onderzoekers en onderwijzers ergeren zich er al lang blauw aan dat zij hun eigen licht en dat van hun slimste leerlingen onder de korenmaat moesten stellen. “Het was in de jaren '70 not done te zeggen dat iemand goed was”, zegt de Amsterdamse sterrenkundige prof.dr. E.P.J. van den Heuvel, met uitzicht op een rangeerterrein en - dichterbij - een reproductie van Salvador Dali's slappe horloges. “In de natuurwetenschappen gebeurde dat natuurlijk toch wel; er is een pecking order en die is gebaseerd op internationale waardering. In je eigen universiteit werden mensen over het algemeen niet zo beloond voor goed onderzoek. Om budget te krijgen was het belangrijker dat je vriendjes had in de universiteitsraad dan dat je goed was in science. Dat heeft veel brandhout opgeleverd, dat geleidelijk is en wordt gesnoeid.”

Ook Adriaansens van het Utrecht University College stelt tevreden vast dat universiteiten zich niet langer schamen om talent te koesteren. Volgens de 'bouwdecaan', van huis uit socioloog en werkzaam bij de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid, begint Nederland eindelijk twee onhoudbare stellingen te verlaten: ten eerste dat onderwijs “een vehikel naar sociale gelijkheid” moet zijn, en ten tweede “dat iedereen de maarschalksstaf in zijn ransel heeft”.

“Als de resultaten uiteenliepen werd er in de jaren '70 en '80 gezegd dat de kansen niet gelijk waren, en dat is natuurlijk een vertekening”, zegt Adriaansens. “Dat zou allemaal niet zo erg zijn als we in Nederland niet óók stiekem het idee hadden dat iemand met een beetje knappe kop ook meer mens is dan een ander. Dat is zeer elitair gedacht, maar door de nadruk op gelijke resultaten werd het verpakt als egalitarisme. Vandaar de neerwaartse druk op de onderwijsprogramma's. In landen waar intellectuele kwaliteiten niet onmiddellijk met menselijke waardigheid worden geassocieerd, zoals de Verenigde Staten, bestaat een grotere diversiteit.”

Zo'n variëteit, die bijvoorbeeld ook in Groot-Brittannië bestaat, zal op termijn in Nederland veld winnen, menen universitaire waarnemers. 'Excellente paden' binnen en na de universiteit voor uitblinkers, en het opschuiven van sommige studierichtingen en -niveau's in de richting van het Hoger Beroepsonderwijs (HBO) zijn daarvan het eerste teken.

“In de jaren '80 kwam al in allerlei financieringssystemen de nadruk te liggen op 'meer geld voor meer kwaliteit' ”, zegt prof.dr. R.J. in 't Veld, voormalig directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, ex-staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen en nu onder meer bij verscheidene instellingen in de weer met het inrichten en opzetten van postdoctorale opleidingen. “Ik geloof dat er nu iets anders aan de hand is: er wordt afscheid genomen van standaarden. De mallen, de gegoten vormen voor het wetenschappelijk onderwijs met vastgelegde studieduur en taakstellingen - die zijn aan het verdwijnen.”

In 't Veld beschouwt veel wetgeving nog steeds als “hindernis voor eigen initiatief van universiteiten”. Daarom juicht hij het van regeringswege gesanctioneerde uitstippelen van 'excellente paden' toe. Het zoeken naar kwaliteit zal de komende jaren sterker worden, zegt hij, maar is tegelijkertijd niet nieuw.

“Paden voor excellente studenten hebben altijd bestaan. Alleen heette het toen een student-assistentschap. Als je vraagt aan honderd hoogleraren wat ze in studietijd hebben gedaan, zul je ontdekken dat er negentig een student-assistentschap hebben gedaan. Zo kreeg je een persoonlijke relatie met een lector of hoogleraar en daarin lag een belangrijk deel van je verdere vorming. Dat wordt nu - onbetaald - opnieuw opgericht in die stromen voor excellente studenten. Daarbij is het trouwens nog de vraag of je die binnenhaalt, want die stromen zijn veelal bedoeld voor onderzoek. In de natuurwetenschappen valt dat inderdaad één op één samen met excellentie, maar bijvoorbeeld in de sociale wetenschappen helemaal niet.”

Volgens prof.dr. A.H.G. Rinnooij Kan, ING-bestuurder en oud-rector magnificus van de Erasmus-universiteit in Rotterdam, zal de huidige trend uitmonden in het vaststellen van kwaliteitsverschillen tussen instituten, zoals die ook in het buitenland gelden. “Voor zover kwaliteitsmeting voorkwam, was het informeel en zonder veel materiële consequenties”, zegt hij. “Nu zitten we in een systeem waar kwaliteitsverschillen worden vastgesteld. Zo worden instituten zichzelf ook bewust van de noodzaak tot zekere vormen van concentratie op terreinen waar ze relatief denken te kunnen excelleren. Dat is op zichzelf een opmerkelijke ontwikkeling, al zou je eerder mogen spreken van een herstel van normale verhoudingen dan van het afwijken daarvan.

“In de VS zijn we al sinds mensenheugenis gewend aan het fenomeen van de top-universiteiten en van de tweede en derde en vierde laag daaronder. In West-Europa is het ook in veel landen al heel lang zo dat er op zijn minst één of twee universiteiten dat predikaat opgeplakt hebben gekregen. Oxford en Cambridge natuurlijk en - ooit, moet je misschien zeggen - de Sorbonne. Nederland heeft als een van de weinige landen heel lang kunnen vasthouden aan het egalitaire model, maar past zich nu aan.”

Flexiprof

Volgens Rinnooij Kan en anderen is de wetenschappelijke reputatie van Nederland de afgelopen vijftien jaar eerder beter dan slechter geworden, nu de vrijblijvendheid geleidelijk is vervangen door toezicht op individuele prestaties. Ook steekt het academisch bestel collectief de hand in eigen boezem. Zo laten verscheidene universiteiten hun eigen faculteiten regelmatig doorlichten door peers - gezaghebbende collega's/ buitenstaanders. Sommige Leidse onderzoekers zitten sidderend te wachten tot de commissie-Van der Waals op de deur klopt. In Utrecht wordt een systeem van onderwijs-beoordelingen opgetuigd, dat “consequenties kan hebben voor de beloning, ook in positieve zin”. En Amsterdam gooide met het idee voor het 'tijdelijk hoogleraarschap' (de flexiprof) vorige week een knuppeltje in het hoenderhoek. Eerder al was daar de 'universiteitsprofessor' gelanceerd: een leerstoel voor wat oudere hoogleraren die hun sporen hebben verdiend en nu freischwebend de universiteit-als-vrijplaats-voor-de-geest nadrukkelijker gestalte mogen geven.

De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) doet zowel op onderzoeks- als onderwijsterrein vergelijkend onderzoek naar de kwaliteit van één vakgebied aan alle Nederlandse universiteiten. In de quality assessments of research en de rapporten van de 'onderwijsvisitatiecommissies' worden soms harde noten gekraakt, zoals een deel van sociologisch en antropologisch Nederland deze zomer merkte in het jongste VSNU-rapport.

Hoewel het buitenland - met name Duitsland met zijn eveneens overgereguleerde onderwijsbestel - zeer aandachtig volgt hoe de Nederlandse universiteiten zichzelf een check-up geven, is het nog een open vraag wat er precies met de rapportcijfers gebeurt of zou moeten gebeuren. Misschien hoeft dat ook niet.

Degenen die een onvoldoende krijgen klagen over het algemeen dat de kritiek niet is verdiend, omdat er verzachtende omstandigheden zijn of omdat de commissie kortzichtig is geweest. Maar intussen menen veel van hun collega's dat zo'n rapportcijfer wel degelijk iets nuttigs zegt over wetenschappelijke integriteit en reputaties.

De Leidse hoogleraar Van Raan: “Peer review maakt, bevestigt of breekt een reputatie, en dat is het kostbaarste wat een wetenschapper heeft. Het is een zichzelf versterkend systeem om verantwoordelijkheid te geven aan mensen die al een reputatie hebben, want de beste predictor voor de nabije toekomst blijkt toch te zijn wat je in het verleden hebt gepresteerd. De kans op een doorbraak is het grootst op die plekken waar al veel goede mensen werken. Niemand kan voorspellen of er niet een geweldige ontdekking wordt gedaan aan de State University of Iowa, maar statistisch is het niet erg waarschijnlijk. Daarom moet mensen met een reputatie steunen en vertrouwen op het zelfregulerende systeem van de wetenschap waarin de beste mensen uiteindelijk aan de top komen. Soms doe je een miskoop maar dat is in het hele leven zo.”

De sterrenkundige Van den Heuvel, die vorig jaar van NWO een van de vier Spinoza-prijzen voor Nederlands toponderzoek kreeg - vier miljoen gulden, naar eigen inzicht voor wetenschappelijke doeleinden te besteden binnen vijf jaar - wordt soms wel een beetje kriegel van de voortdurende beoordelingen, die de onderzoeksvrijheid inperken. Ook hij gelooft vooral in het zelfregulerende karakter van de wetenschap.

“Goede vakgroepen zorgen ervoor dat er goede opleidingen zijn en die trekken ook weer goede mensen aan, die willen promoveren. Dat houdt zichzelf in stand. Als je goede mensen hebt moet je ze geld geven - dat is ongeveer het enige goede wetenschapsbeleid dat er is. Ik zie niet hoe het anders moet.”

En de jacht op excellentie? “Het is een trend, hè? In het begin van deze eeuw heeft Nederland een hele reeks Nobelprijswinnaars gehad, het ene jaar na het andere: Van der Waals, Zeeman, Lorentz, Kammerlingh Onnes, Van 't Hoff. Je had toen een goeie middelbare school: de HBS, daar kwamen ze bijna allemaal vandaan, en er waren veel nieuwe leerstoelen waar een grote onderzoeksvrijheid heerste. Maar niemand had toen gezegd dat we top-onderzoek gingen doen.”