Politiek maakt te weinig gebruik van het 'magische' jaar 2000

Over het einde van de twintigste eeuw doen al eeuwenlang wilde verhalen de ronde, van Apocalyps tot New Age. Hoe dan ook, het jaar 2000 laat weinigen onberoerd. Alleen de Nederlandse overheid lijkt daar geen oog voor te hebben, meent Kees Paling. Waarom koersen wij toch zo benepen op de eeuwwisseling af?

Na de laatste Troonrede is er geen twijfel meer mogelijk: de toekomst is terug van weggeweest. En dat is opmerkelijk, want jarenlang was in politiek Den Haag het denken over de toekomst een zaak van sterrenwichelaars en futurologen. De politiek had het te druk met bezuinigingen en reorganisaties op de korte termijn om ook nog eens vooruit te kunnen zien. Bovendien was in de jaren tachtig, met het tanend geloof in de maakbaarheid van de samenleving en de stuurkracht van de overheid, de populariteit van planning en toekomstonderzoek sterk teruggelopen.

“Laten we opnieuw investeren in onze toekomst”, zo riep de koningin de verzamelde parlementariërs op; en inderdaad presenteerde het kabinet ambitieuze plannen voor extra investeringen in onder andere infrastructuur en wetenschappelijk onderzoek. Lovenswaardige initiatieven, die zich echter beperken tot een bepaalde sector en die een samenhangende toekomstvisie ontberen. Want hoe wil Nederland het derde millennium binnengaan?

De magie van het jaar 2000 lijkt aan politici en toekomstvorsers niet besteed. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig reikten politieke visies en wetenschappelijke toekomstscenario's nog tot het jaar 2000; tegenwoordig is de tijdshorizon van dergelijke exercities al verlegd tot vér over de eeuwwisseling heen: naar 2015, 2025 en zelfs 2050.

Tegelijkertijd mag datzelfde jaar 2000 zich in een groeiende belangstelling verheugen van de media. Een millennium-wisseling is tenslotte een media-event van de eerste orde. Sinds het begin van de jaren negentig hebben gerenommeerde buitenlandse tijdschriften als The Economist, Newsweek, Time en Der Spiegel allemaal al een toekomstspecial uitgebracht waarin het jaar 2000 centraal stond (Newsweek: 'Looking forward to the millennium'). En dat was nog maar het begin. Want reken maar dat de redacties van de verschillende weekbladen nú reeds worstelen met de vraag of ze het kerstnummer van dít jaar aan het millennium moeten wijden of dat ze daar nog een jaartje mee wachten.

Wat er verder in dit Fin de Millennium - de jaren tot 2000 - te gebeuren staat, blijft natuurlijk een kwestie van gissen. Maar zelfs de nuchteren van geest zullen moeten erkennen dat het niemand onberoerd laat. Want naast een media-event is zo'n millennium-wisseling bovenal een man-made-event. En wanneer maar genoeg mensen naar dat moment toeleven en er vervolgens naar gaan handelen, zullen sommige voorspellingen wellicht het karakter van een self-fulfilling prophecy aannemen.

Een eerder Fin de Millennium heeft de christelijke wereld slechts eenmaal meegemaakt in de periode rond het jaar duizend na Christus. Gaan we af op de populaire ondergangsliteratuur, dan zou de Middeleeuwse mens sidderend van angst en samenhokkend in kerken en kathedralen het einde der tijden hebben afgewacht. Maar hoewel het ook in die jaren niet ontbroken heeft aan millenniaristische groeperingen of tekens aan de hemel - zoals kometen en zonsverduisteringen - gaan meer serieuze historici ervan uit dat het merendeel van de bevolking de eerste millenniumwisseling gelaten, zoniet onverschillig heeft ondergaan. Niet onwaarschijnlijk is, dat men in die tijd de wisseling der seizoenen als belangrijker - om niet te zeggen reëler - heeft ervaren dan de wisseling der millennia. Daardoor werd de naderende Dag des Oordeels vooral een zaak van een handjevol geletterden en geestelijken.

Honderd jaar geleden, tijdens de periode die we het Fin de Siècle noemen, lag dat allemaal wat anders. Toen was een veel groter deel van de bevolking geletterd dan negenhonderd jaar eerder en bovendien waren er media - dagbladen - die een spiegel van de werkelijkheid pretendeerden te zijn. Het waren met name deze media die een bijdrage leverden aan de voor die tijd zo kenmerkende mengeling van ondergangsdenken en vooruitgangsgeloof. Aan de ene kant was er een sterk cultuurpessimisme, dat gevoed werd door de snelheid waarmee de oude, vertrouwde wereld van de negentiende eeuw werd ingehaald door de moderne tijd. In Wenen draaide - in de woorden van de Oostenrijkse essayist Karl Kraus - het “proefstation van de ondergang van de wereld” op volle toeren, terwijl de Duitse schrijver Max Nordaus Parijs uitriep tot “hoofdstad der decadentie”. Tekenen van verval zag men vooral in de stijgende criminaliteit, de toenemende verslaving aan alcohol en drugs, de verzakelijking van de samenleving en de verwildering der zeden.

Tegelijkertijd was er echter ook sprake van een sterk vooruitgangsgeloof, dat gevoed werd door de nieuwste uitvindingen en toepassingen op het terrein van communicatie (telegraaf en telefoon) en transport (verbrandingsmotor) en dat zijn voorlopig hoogtepunt beleefde tijdens de Wereldtentoonstelling van 1900.

Beide toekomstbeelden - ondergang en vooruitgang - werden in zekere zin bewaarheid. Immers, tijdens de Eerste Wereldoorlog ging de Oude Wereld van de Europese keizerrijken wel degelijk ten onder, met in zijn kielzog de tradities en familiebanden van de negentiende-eeuwse Gemeinschaft.

Maar ook de vooruitgang kreeg gestalte: eerst via de revolutionaire ontwikkelingen in kunst en wetenschap aan het begin van deze eeuw, later in de modernisering van het gehele maatschappelijke leven via processen als verstedelijking, ontkerkelijking, individualisering en verzakelijking van relaties - alle karaktertrekken van de twintigste-eeuwse Gesellschaft.

Honderd jaar later, in de nadagen van het Fin de Millennium, signaleert men dezelfde tekenen van verval als tijdens het Fin de Siècle. Zo wordt ook nu gewezen op de stijgende criminaliteit, de groei van alcohol- en druggebruik, en de verzakelijking van het openbare leven. Er wordt gesproken over de verwording van onze cultuur, de teloorgang van normen en waarden. Er is sprake van een vérgaande mate van relativisme en richtingloosheid in kunst, wetenschap en politiek, die gemakshalve aangeduid wordt met de term 'postmodernisme'. Later, in de loop van de volgende eeuw, zal ongetwijfeld duidelijk worden dat het postmodernisme niet meer dan een overgangsfase was - alleen wist niemand nog waarhéén.

Nu is het de vraag of men ontwikkelingen maar op zich af moet laten komen, of dat men moet trachten er greep op te krijgen om ze vervolgens richting te kunnen geven.

In het toekomstonderzoek wordt in die zin onderscheid gemaakt tussen een 'push'- en een 'pull'-factor. Een push-factor - werkloosheid, criminaliteit, economische depressie - duwt je ongewild een bepaalde richting op. Een pull-factor - zoals een aansprekend toekomstperspectief - biedt je daarentegen een mogelijkheid om je aan op te trekken.

Het ontwerp van een dergelijk perspectief lijkt bij uitstek aan taak van de politiek, in het bijzonder de minister van Cultuur. Helaas ontbreekt het in Nederland aan een dergelijke bewindspersoon, terwijl ook in de zojuist gepresenteerde cultuurnota (1997-2000!) tevergeefs gezocht zal worden naar ook maar de geringste verwijzing naar de millenniumwisseling.

Dat is deels het gevolg van de strikt sectorale invulling van het Nederlandse cultuurbeleid, waarin men zich beperkt tot het jaarlijks herverdelen van subsidiegelden. Opmerkelijk is dan ook dat pleidooien voor een breder cultuurbeleid tot nog toe vooral van christen-democratische zijde komen - onder andere de professoren Zijderveld en Klop - alsof men daar bij de paarse partijen geen mening over zou hebben.

Terwijl in het Parijse Centre Pompidou al sinds 1978 een klok de seconden tot het jaar 2000 aftelt en in Engeland sinds 1992 een van regeringswege ingestelde Millenniumcommissie actief is, zijn het in Nederland vooral particulieren - en enkele lagere overheden - die zich met het Fin de Millennium bezighouden. Wie nog een feestzaal wil huren, moet snel zijn, terwijl de advertentieruimte in de speciale editie van 'de krant van wakker Nederland' al geruime tijd is uitverkocht.

Honderd jaar geleden, tijdens het vorige Fin de Siècle, stond in de afstervende Donaumonarchie met zijn groeiende etnische tegenstellingen een visionaire minister van Cultuur op: Wilhelm Ritter von Hartel. Temidden van aartsconservatieve collega's omarmde deze bewindsman de door een ieder als onzedelijk gekenschetste kunst van Gustav Klimt en de zijnen - in de hoop dat de kosmopolitische geest die deze kunst ademde de culturele tegenstellingen in het rijk zou kunnen overstijgen. Hoewel die hoop uiteindelijk ijdel zou blijken, getuigde het ongetwijfeld van moed én visie om dwars tegen alle conventies in te kiezen voor vernieuwing en daarmee voor de toekomst. Over de nadagen van de twintigste eeuw doen al eeuwenlang de wildste voorspellingen de ronde; uiteenlopend van de ondergang van de wereld - de Apocalyps - tot het begin van een Nieuwe Tijd.

Maar welke toekomst ook de juiste zal blijken te zijn, in de aanloop tot het derde millennium zal het niemand onberoerd laten. Sterker nog: in een tijd dat een groeiend deel - inmiddels de helft - van de bevolking zich zorgen blijkt te maken over de toekomst, kan de politiek niet volstaan met het louter uitstralen van optimisme. Dat vergt een nadere uitwerking in een aansprekend toekomstperspectief, waardoor het Fin de Siècle weer kan worden gezien als een uitdaging.

Wil de nieuwe Wilhelm Ritter von Hartel opstaan?