Obligaat respect

In een recente biografie van Bertrand Russell las ik een passage, die mij tot mijn eigen verbazing enigszins weemoedig stemde. Als kind van zeven logeert Russell enkele maanden bij zijn grootmoeder van moederszijde, lady Stanley of Alderley. Deze aristocratische dame straalde een robuust rationalisme uit en toonde een diepe verachting voor de Victioriaanse goody-goody priggery.

Zij had vier zonen en vier dochters, allen behept met een onbeschaamde redeneerzucht. Een opgewekt en twistziek gezelschap, dat Russell enigszins intimideerde door het vertoon van intellectuele onverschrokkenheid. “Of the sons, Henry was a Muslim, Lyulph an atheist and Algerson a Roman Catholic Priest. On Sunday they would all gather for lunch and engage each other in vigorous and unrestrained debate, each contradict the other and shouting at the top of their voices”.

Waarom roept deze passage weemoed en melancholie op? De tafelgesprekken hadden plaats in 1879 en aan dat jaar bewaar ik geen dierbare herinneringen. Het jaar 1879 behoort voor mij niet tot de tijd die onherroepelijk voorbij is, want dat is immers de tijd die je zelf hebt zien passeren. Misschien ben ik aanbeland op de leeftijd, waarop stemmingen van weemoed onverwacht komen en gaan, als voorbereiding op de eeuwige weemoed in het hiernamaals, waarin je je niet meer kunt onttrekken aan de indruk dat het leven voorgoed voorbij is. Dan zou de melancholieke stemming zich bij toeval gehecht hebben aan de geciteerde passage. Maar deze verklaring bevalt mij niet.

Deze passage brengt iets in herinnering dat je dreigde te vergeten in de vanzelfsprekendheid van het debat. Die zondagse lunchgesprekken waren typerend voor de Westeuropese cultuur en hun wervelende charme beperkte zich niet tot 1879 en niet tot Engeland en ook niet tot zondag. Voorzover er een samenhang was in de maatschappij, werd die bepaald door de strijd om de beste argumenten en de zekerheid dat geen enkele zaak boven discussie verheven was en de status verdiende van bevoorrecht respect. Zo was dat vroeger en aan die onvoorwaardelijke, genadeloze discussies bewaar ik goede herinneringen. Ineens herinner ik mij dat mensen vroeger een meningsverschil heel gewoon en uitdagend vonden. Het paste natuurlijk ook in de traditie van de Verlichting. Elke debatcultuur veronderstelt een huldiging aan de rationaliteit. Zelfs een godsdiensttwist moet niet incoherent worden. En de aardigheid zat er natuurlijk in dat zelfs het meeste irrationele standpunt argumenten behoefde en niet zomaar gerespecteerd werd. Wie daar anders over dacht, was de erfenis van de Verlichting niet waard. Er is thans niet alleen een grote matheid over onze cultuur neergedaald, maar wij zijn die matheid ook gaan verheerlijken. De culturele verworvenheid dat alles vroeg of laat belangeloos besproken kan worden, hebben wij ingeruild voor de cultus van de slappe tolerantie. Men durft de kwaliteit van een idee niet meer te bespreken omdat men de verdenking niet op zich wil laden dat men intolerant, lasterlijk, cynisch of destructief is. En bovendien heerst het idee dat het ongepast is navraag te doen naar de geldigheid van ideeën. Dat kan je iemand toch niet aandoen. Met enige nostalgie denk ik terug aan de opvatting dat de kracht van een cultuur zit in de zekerheid dat alle ideeën uiteindelijk zullen sneuvelen en dus ook aan een permanente ondervraging onderworpen moeten worden. Het courante verplichte respect voor andermans mening is een geheel eigen leven gaan leiden als een verlammend dictaat. Kamerlid Hans Hillen zei het onlangs treffend in deze krant: “Het is echt armoedig in Nederland. Wij zijn bang. Wij zijn een handelsland, je maakt geen ruzie want dan loopt de klant weg. Ruziemaken in Nederland is heel slecht. We proberen zo dicht mogelijk bij elkaar te blijven en elkaar aardig te vinden. Het is de dood in de pot van de politieke discussie”. Maar elke troonrede bevat een obligate oproep tot tolerantie en zo zijn wij in slaap gevallen.