NAJIBULLAH 1947-1996; Slager van Kabul

KARACHI, 28 SEPT. Als een stuk vlees werd de Afghaanse oud-president Najibullah, bijgenaamd de slager van Kabul, ten slotte zelf gisteren aan een betonnen paal opgehangen. Meer dan vier jaar nadat er een einde aan zijn harde bewind was gekomen, beviel het schouwspel veel inwoners van de hoofdstad nog best.

Zo onderging de laatste communistische machthebber van Afghanistan toch nog het lot dat velen hem al bij zijn val in april 1992 hadden toegedacht. Toen wist hij echter na een mislukte ontsnappingspoging levend de missie van de Verenigde Naties in Kabul te bereiken. Daar bracht hij de afgelopen jaren eenzaam en verveeld voor de televisie door.

Het nu verdreven bewind van president Burhanuddin Rabbani wilde de 49-jarige Najibullah niet laten gaan, al respecteerde het de diplomatieke immuniteit van het VN-gebouw. Van zulke subtiliteiten trokken de Talibaan zich echter niets aan.

Najibullah, die afkomstig was uit Khost in het oosten van Afghanistan, begon als student zijn loopbaan in de jaren zeventig in de communistische beweging, waar hij tot de zogeheten Parcham-factie (het Vaandel) behoorde. Deze genoot vooral aanhang onder beter opgeleiden in de steden. In 1978 kwamen de communisten van de rivaliserende Khalq-factie (de Massa) via een staatsgreep aan het bewind, maar zij werden een jaar later met hulp van Moskou uit het zadel gewipt door de Parchami's. Babrak Karmal werd de nieuwe president.

Najibullah schopte het al gauw tot chef van de gevreesde geheime dienst, KHAD. Deze trad meedogenloos op tegen iedereen die er vagelijk van werd verdacht met de islamitische verzetsbeweging samen te werken, die onder brede lagen van de Afghaanse bevolking aanhang genoot. Duizenden werden onderworpen aan gruwelijke martelingen in de Pul-i-Charki-gevangenis aan de rand van Kabul. Hieraan ontleende hij zijn bijnaam.

In 1986 besloot Moskou de futloze Karmal te vervangen door de meer dynamische Najibullah. In de zes jaar van zijn bewind ontpopte hij zich als een sluwe politicus, die de weinige speelruimte die hij had optimaal benutte. Zo zag hij kans ook nadat het Rode Leger in 1989 de aftocht uit Afghanistan had geblazen het nog drie jaar vol te houden tegen het Afghaanse verzet.

Dit lukte vooral door zijn tegenstanders vaardig tegen elkaar uit te spelen en zich minder dogmatisch communistisch op te stellen dan voorheen. Begin 1992 liep echter een van zijn voornaamste bondgenoten, de Oezbeekse leider Abdul Rasheed Dostam, naar het kamp van het islamitische verzet over, en was het spel uit. Dit leidde echter niet tot vrede maar tot nieuwe gevechten tussen de verzetsgroepen, en zo kregen de afgelopen jaren sommigen in Kabul zelfs een zeker heimwee naar de dagen van Najibullah.