Luister niet naar onheilsprofeten over Internet

Het is 1896 en u leest een artikel van twee 'socialistische voormannen' in uw krant. Het artikel keert zich tegen het gebruik van de telefoon door de overheid. Motivatie? “Dit instrument biedt een tijdsvoordeel aan de beter gesitueerden om informatie te verkrijgen bij den overheid.”

Er wordt gepleit tegen het aannemen van de telefoon door ambtenaren totdat dezelfde informatie 'in den Courant' is verschenen en ten slotte worden 'waarborgen' gevraagd die het 'gewone volk' tegen deze nieuwerwetse techniek kunnen beschermen.

Komisch? Allerminst. De heren Jeroen den Uyl en Menno van Vliet, beiden lid van de PvdA-fractie van Amsterdam-Zuid, gebruikten twee weken geleden in deze krant deze argumenten tegen toepassing van Internet. Hun stelling: er zou een te groot verschil in distributie van kennis ontstaan.

Wat toont de praktijk? In eerste instantie probeert een minderheid van 5 procent van een populatie een nieuwe technologie, vaak gedreven door nieuwsgierigheid. Deze 'innovators' worden gevolgd door de 'early adaptors' waarna de technologie na jaren in stappen de massa bereikt. Dit natuurlijke proces kan uitsluitend tegen zeer hoge kosten en verspilling worden doorbroken in een democratische samenleving. Het doorbreken ervan tast immers de vrijheid van keuze aan. Dat voorlopig slechts beperkte groepen zich tot de 'innovators' en 'early adaptors' willen - en ook kunnen - rekenen, is voor verbreiding van nieuwe technologie onvermijdelijk.

Het proces van verspreiding van een nieuw medium (en zo u wilt 'democratisering') verloopt steeds sneller. Daar waar de telefoon decennia nodig had om te komen tot een penetratie van vrijwel 100 procent, zien we dat de cd-speler, oorspronkelijk ook voor een 'elite', binnen 5 jaar de platenspeler volledig heeft verdrongen. Internet kende in Nederland buiten de wetenschap weinig gebruikers tot 1995. Nu, anderhalf jaar later, zijn er ruw geschat ten minste 100.000 personen die Internet dagelijks gebruiken. Dat is ongeveer 1 procent van het totaal aan potentiële gebruikers. De verwachting gaat echter richting 1,2 miljoen aangeslotenen in 1998.

Het argument dat op dit moment niet iedereen toegang kan krijgen tot Internet doet in beperkte mate opgeld. Met hardware voor totaal 300 en een abonnement van 200 gulden (net zoveel als het kijkgeld) kan men Internet op. Efficiënt de weg op Internet vinden vereist wel oefening. Lukraak surfen doet men al binnen een half uur. De complexiteit van de installatie van hardware en software vormt een wezenlijke drempel. Die is vaak te slechten met hulp van computerkenners. Het zal overigens waarschijnlijk nog maar twee jaar duren tot Internet gewoon met de afstandsbediening van de televisie te benaderen is, via een decoder. Dan resteert wel de vraag in hoeverre typevaardigheid en het hanteren van software drempels zijn voor grote groepen om zich te kunnen uiten. Laat de PvdA zich daar alvast eens over buigen in plaats van een rem te plaatsen op verbreiding.

Bij een beslissing over wel of geen toegang kunnen personen en bedrijven zich beter laten leiden door eigen wensen en behoeftes dan door profeten en door politici die hen de sticker 'zielig' willen opplakken. Het gaat om de vraag of de standaard technologie van Internet maatschappelijk voordelen schept, maar ook de communicatie in besloten kringen ('intranet') efficiënter zal maken en zal veraangenamen.

De welvaart van Amsterdam in de Gouden Eeuw was grotendeels te danken aan de combinatie van ver ontwikkelde cartografie (afgekeken van de Portugezen) en innovaties in de scheepsbouwkunde. Deze innovaties werden relatief snel verspreid en overgedragen in een, voor die tijd, liberale samenleving.

De overheid hoeft niet toe te kijken. Zelf gebruiken is noodzakelijk. Niets staat bibliotheken in de weg om publieke aansluitingen te bieden en - eventueel - geprinte versies van bij voorbeeld het huizenaanbod beschikbaar te stellen. Het huidige huizenaanbod van woningbouwcorporaties op Internet, waarover de PvdA'ers zich beklagen, is gericht op duurdere woningen waar de jonge, goed opgeleide en -betaalde 'early adoptor' voor in aanmerking komt.

Het snel oppakken en vooral toepassen van deze technologie is essentieel, niet ondanks maar juist vanwege de problemen. Die zijn er om op te lossen. Internet is een set standaarden voor de uitwisseling en het binnenhalen van informatie en amusement. Straks worden die normen geïntegreerd met de bediening van bestaande media. Met een snelle Internet-aansluiting via de tv-kabel kunnen we leren communiceren en produceren met die techniek.

Het is zinloos de Don Quichote te willen spelen. De overheid kan zich beperken tot het scheppen van een structuur en een mentaal klimaat waarin innovatie en snelle verspreiding van nieuwe technieken aantrekkelijk worden. De overheid kan ook helpen drempels voor de burger en het bedrijfsleven te slechten. Internet als communicatiemiddel in het gehele onderwijs en in bibliotheken is noodzakelijk. Zowel in techniek als in communicatie en produktie van informatie en amusement is veel profijt te behalen, voor grote groepen. Dat lijkt ons een vruchtbaarder uitgangspunt dan het belonen van behoudende geesten. Anders stoppen we de trein, onder het motto dat, als Internet te snel langskomt, de koeien geen melk meer geven.