Kairo worstelt met de vakantiezeden van Golfarabieren; Twee maanden drank en lichamen

In de nazomer is Kairo niet van Egyptenaren maar van de Arabieren uit de Golfstaten. Dankzij hun oliedollars vinden zij hier de drank en vrouwen die in hun streng-islamitische landen verboden zijn. Egypte verdient in deze twee maanden eenderde van de jaarlijkse inkomsten uit toerisme. Ten koste van zijn zelfrespect. “We hebben onszelf aan hen verkocht.”

De Saoediër wankelt het podium op. Er kleeft een stukje roze Kleenex aan zijn baard. Na elke stap die hij zet, deint het overvloedige vlees onder zijn gebloemde shirt een tijdje na. Het orkest speelt 'Habibti Inti' - 'Jij Schatje', een Arabische klassieker. De buikdanseres lokt de Saoediër met haar ogen. Ze strekt haar armen naar hem uit, maar beweegt zich defensief naar achteren. De Saoediër probeert een paar danspassen. Hij is zo dronken dat hij half tussen de muzikanten valt. Dan kruipt hij als een baby naar de danseres en wrijft knorrend zijn hoofd tegen haar buik.

Ze verstijft, maar herstelt zich snel. Het orkest houdt op met spelen. De Saoediër wordt in een felle schijnwerper gevangen. Hij haalt direct een vuist bankbiljetten van twintig Egyptische ponden uit zijn broekzak. De helft laat hij, biljet voor biljet, over de danseres heendwarrelen. Dan stommelt hij terug naar zijn tafel. De zanger kondigt de volgende danseres aan, 'speciaal voor het gulle Saoedische volk, met wie Egypte al eeuwen vriendschappelijke banden onderhoudt'. Dit tafereel speelt zich toevallig af in 'Palmyra', een Kaireense nachtclub die niet meer is dan het overdekte eind van een ranzige steeg vol bedelaars. Hetzelfde valt nu te beleven in een van de exquise casino's, pianobars of clubs aan de Piramidenstraat, waar een fles whisky vierhonderd gulden kost en de danseressen hun jurk niet met veiligheidsspelden bij elkaar hoeven houden. Het is namelijk september. En in augustus en september is Kairo van de khaligin, de Golfarabieren. Ze komen vooral uit Saoedi-Arabië en Koeweit, maar de Egyptenaren brengen geen onderscheid aan. Elk jaar als het in hun eigen land te heet wordt, komen zij hun geld in Kairo uitgeven. Voor hun, hun kinderen en in toenemende mate ook hun meegereisde vrouwen, is Kairo die paar weken per jaar wat Amsterdam voor veel Europeanen is: een walhalla op een paar uur vliegen afstand, de stad waar dingen kunnen die thuis niet mogen. En in de Golf mag maar weinig.

Egypte is een islamitisch land, net als alle Golfstaten. Maar wel een straatarm islamitisch land. Daarom overmeestert Kairo twee maanden per jaar haar eigen zeden om zich aan de big spenders te verkopen. De stad biedt drank en lichamen, en krijgt er cash voor terug. In twee maanden verdient Kairo zo eenderde van 's lands jaarlijkse inkomsten uit toerisme (totaal ruim twee miljard dollar). Met de transacties in het 'grijze circuit' erbij, schat men, misschien zelfs de helft.

Billen knijpen

Deze weken is de stad zichzelf niet. Egyptische en buitenlandse vrouwen vinden schunnige berichten op hun antwoordapparaat. Golfarabieren draaien zomaar nummers uit het Kaireense telefoonboek die op naam van een vrouw staan geregistreerd. En in hotels wachten ze tot een vrouw haar kamer binnen gaat - het kamernummer is haar telefoonnummer. Vrouwen uit de Golf doen dat trouwens ook steeds vaker, bij Egyptische en buitenlandse mannen. Golfarabieren, die in eigen land enkel stiekem (over de telefoon) met vrouwen kunnen converseren, stoppen hun auto voor voetgangsters die er aantrekkelijk uitzien, en vragen of ze zin hebben om te 'breien' - het codewoord voor de liefde bedrijven. Straatkiosken zetten portretten van de Saoedische koning of Golf-emirs op de stoep, in plaats van die van hun eigen president. In de ontbijtzalen van de dure hotels staan 's ochtends vroeg agenten-in-burger naast de scrambled eggs geposteerd om lallende mannen die rechtstreeks uit het casino komen, te kalmeren als ze met borden gaan gooien of de bediening in de billen knijpen. Soedanese en Egyptische hoeren lopen openlijk door de lobby. Het Sheraton-hotel heeft het Chinese restaurant ontruimd. Britse nanny's houden daar nu Golfkinderen zoet zolang de ouders hun roes liggen uit te slapen. Buiten zetten taxi-chauffeurs klanten halverwege de rit op straat om een Golfarabier te kunnen meenemen. Ook de fatteha, de vrouw van lichte zeden die in clubs en restaurants flessen komt ontkurken om alvast contact te leggen, is na tien maanden afwezigheid weer terug.

Het lijkt nu eenmaal bij het massatoerisme te horen - zeker als die toeristen uit landen komen waar mannen en vrouwen krampachtig gescheiden worden gehouden. Maar volgens steeds meer Egyptenaren voltrekt zich hier in werkelijkheid een sociaal drama. “Het Golftoerisme ontwricht onze maatschappij”, zegt Hala Shukralla van het New Women Center, een Egyptische organisatie voor de rechten van de vrouw. “U denkt toch niet dat al die tienduizenden mensen die twee maanden per jaar Golfarabieren verwennen, het normale leven daarna kunnen hervatten? Egypte is een traditioneel land. Al die huwelijksmakelaars, pooiers, meisjes van plezier, en zelfs politie-agenten die in ruil voor wat Golfdollars vunzigheden tolereren die ze geacht worden te bestrijden - ze raken in de war over wat ze aan het doen zijn. Vaak worden ze ook verstoten door hun omgeving.”

'Normale' toeristen bezorgen de Kairenen behalve afgunst en wrok (vanwege hun geld, hun korte broeken en de Wimpy's en Pizzahutten die in hun kielzog meekomen), toch ook een gevoel van trots. Velen gaan naar de piramides en het Egyptisch Museum. Hoe vluchtig misschien ook, ze tonen in ieder geval interesse voor de geschiedenis van het land. Maar de cultureel geïnteresseerde Golf-elite mijdt Kairo steeds meer, en verpoost in Genève, Londen of Colorado. Zeker tijdens de zomermaanden wil zij niet vereenzelvigd worden met de enige honderdduizenden landgenoten die hier met extra chartervluchten komen voor, zoals een Egyptenaar het uitdrukt, 'frisse lucht en hete nachten'. Ook prins Ibn Turki Abdel Aziz, de verstoten broer van koning Fahd die met honderdveertig bodyguards op de bovenste drie verdiepingen van het Ramses Hilton woont, verlaat Kairo 's zomers. De Golfarabieren die blijven komen, meest middenklassers, bezorgen Kairo enkel schaamte. Ze slapen vaak de hele dag, om pas uit bed te komen als de musea allang dicht zijn. Pas 's avonds tegen zevenen gaan de balkondeuren van de hotelkamers open. Dan wordt het ontbijt op de kamers bezorgd.

Volkswoede

Aan het zwembad van het Sheraton-hotel zit een goed-geconserveerde Egyptenaar. De hele middag kijkt hij naar Egyptische en Westerse vrouwen. Hij is, zoals dat heet, 'op talentenjacht'. Hij probeert hen aan Golfarabieren te koppelen die in het hotel verblijven - al is prostitutie in Egypte bij de wet verboden. Iedereen weet het, maar niemand legt hem een strobreed in de weg omdat de Golfarabieren hem zwijggeld geven voor het hotelpersoneel. “Alles voor tutu”, heet dat hier op straat. 'Tutu' is geld. Zo opereren ook de lokale advocaten die in restaurants en in nachtclubs hun visitekaartje aan vrouwen uitdelen, om hun te strikken voor een huwelijk met een Golfarabier.

Het Westerse idee dat je het recht hebt op straat te doen wat je thuis ook doet, is Egyptenaren vreemd. Zij hangen, net als andere Arabieren, het principe aan dat iedereen thuis kan doen waar hij zin in heeft, zolang niemand het maar hoeft te merken. Dat Golfarabieren in Kairo ver van huis de bloemetjes buiten zetten, begrijpen Egyptenaren dus wel. Maar nu Egyptische pooiers en prostituees ongestraft en op klaarlichte dag beginnen te opereren, raken ze in paniek. Velen zien de Golfarabieren daarom liefst morgen voorgoed vertrekken.

Maar sinds vorig jaar weten de Egyptenaren dat ze niet meer zonder kunnen. Toen sleepte een Egyptische dokter die in Saoedi-Arabië werkte, een Saoedische onderwijzer voor het gerecht omdat die zijn zoontje zou hebben verkracht. Hij verloor het proces en kreeg op het schoolplein tachtig zweepslagen. De vernederde dokter werd in een Egyptische krant geïnterviewd. In de volkswoede die daarop ontstond, kwam alle opgekropte haat jegens de Saoediërs naar buiten. Hun auto's werden vernield. Winkels hingen bordjes met 'Saoediërs niet welkom' op de deur. Daar hebben de Egyptenaren voor gebloed. Die zomer weken de Saoediërs en ook andere Golfarabieren massaal uit naar Istanbul en Damascus. Toestellen van EgyptAir bleven leeg. Hotels hadden bijna geen gasten en taxichauffeurs verdienden geen sou.

Maar Damascus is een dorp vergeleken bij Kairo, en Istanbul kruipt niet voor de Golfarabieren door het stof. “Nergens zijn de vrouwen zo gewillig als in Kairoooo!” zingt een groep Koeweiti's in witte dishdasha-jurken in nachtclub 'The Black Cat'.

“Ik ben blij dat ze terug zijn”, zegt een hotelmanager die vorig jaar niet wist hoe hij zijn hotel vol moest krijgen. “Daarom walg ik van mezelf.” Hij probeerde net een dronken Omani te kalmeren die 's nachts in zijn kamer door vier prostituees was bestolen. De man wilde niet naar de politie, want daar wordt rapport opgemaakt, met een kopie voor de ambassade. Hij bleef maar zeggen dat het hotel hem moest vergoeden. De manager was beleefd, maar kookte inwendig. “Met het Westen hebben wij een haat-liefdeverhouding”, zucht hij. “Moreel en politiek voelen we ons door het Westen bedreigd. Maar de Westerse cultuur fascineert ons ook. Met de Golf hebben we die dubbelheid niet. Er is enkel haat. En zelfhaat. Omdat we onszelf aan ze hebben verkocht.”

Verstoten

Als de afhankelijkheid van de Golfarabieren ergens blijkt, is het wel in Agouza. Hier, tussen de flats vlakbij de Nijl, zijn overdag enkel vertegenwoordigers van de service-industrie te zien. Hier en daar is een eierwinkel open, volgestouwd met rieten mandjes vol stro - eieren worden hier als potentieverhogend beschouwd. In de koffiehuizen spelen simsars triktrak. Simsars zijn makelaars. Sommigen dragen groezelige jurken en een tulband. Anderen lijken zich aan te passen aan de typische Golf-outfit: donkere overhemden, gilets. Dit is hun hoogseizoen. In augustus en september vragen zij voor appartementen vijf keer zoveel als in andere maanden. In Agouza is driekwart van de flats nu bewoond door Golfarabieren. Vooral mannen alleen. Zij huren niet per maand, maar per dag.

“Driehonderd pond per dag”, antwoordt een tandeloze simsar op de vraag of hij een flat te huur heeft. Zijn concurrenten kijken scherp toe. “Laatste appartement. All-in.”

All-in? “Ja, water, aparte breikamer en gezelschap. U wilt een man, neem ik aan. Als u er twee wilt, moet u bijbetalen.”

Aymen, een achttienjarige jongen uit de straat, trekt elke zomer met zijn familie bij de buren in. Dat moet, dat staat in het huurcontract. De simsar verhuurt hun appartement dan aan Golfarabieren. “Er zitten meestal twee jonge Bahreinse broers in”, zegt Aymen, die een beetje in een portiek zat te dommelen. “Die betalen samen tienduizend pond per maand!” Aymens vader betaalt zevenhonderd, wat voor een Egyptenaar een heel bedrag is. Aymen observeert de Golfarabieren al jaren van dichtbij. “Het wordt steeds treuriger”, zegt hij. “De laatste tijd word ik zelfs door hun vrouwen benaderd. Als hun mannen 's avonds de deur uit zijn rijden ze rondjes door de stad, van top tot teen gesluierd. Tegen hun mannen zeggen ze dat ze met vriendinnen uit zijn. Maar ze willen met mij naar een tent met mannelijke G-string-dansers, en daarna, ehh, ik weet niet wat.”

Aymen gaat ook weleens met de Bahreiners uit. Om een uur of tien, als zij goed en wel wakker zijn, gaan ze wandelen langs de Arabische Liga Straat - een grote verkeersader vol winkels en hotels. Daar pikken ze de meisjes op die hun de rest van de nacht vergezellen - prostituees, ook uit de voormalige Sovjet-republieken en Soedan. Vrouwen die niet in het vak zitten, mijden deze straat 's avonds. Als ze er echt moeten zijn, doen ze net als de winkelmeisjes een sluier om.

Eerst eten de Bahreiners ijs bij 'I Can't Believe It's Yoghurt'. Dan naar een nachtclub. Tegen de ochtend nemen ze de vrouwen mee naar hun flat. Om een uur of acht zie je die, in strakke broeken en op hoge hakken, en masse weer uit de flatgebouwen komen. Hoewel het op dat uur ineens krioelt van de taxi's, lopen de meesten naar de brede boulevard aan de Nijl, een paar blokken verder. Als ze daar een taxi aanhouden, hoeft de chauffeur niet te weten wat ze hebben uitgevoerd.

De simsars maken in hun all-in-pakket een onderscheid tussen prostituees en 'gezelschapsdames'. De prostituees zijn ervaren, en vaak maar voor een nacht. Gezelschapsdames zijn meestal piepjonge meisjes uit achterbuurten - maagden nog. Omdat de meisjes 24 uur per dag in hun flat zijn, trouwen Golfarabieren vaak met ze. Allah wil de zonde van een nacht misschien door de vingers zien, maar die van vier weken niet. Door te trouwen zijn de mannen van dat dilemma af. De vaders van de maagden worden er goed voor betaald.

Omdat een gewoon islamitisch huwelijk bij een sjeik niet zonder alimentatie te ontbinden is, kiezen de Golfarabieren voor de zawaq el-urfi, of urf, een verbintenis die islamitisch geldig is maar niet wordt geregistreerd. Ze kan elk moment verbroken worden als de man in bijzijn van een getuige driemaal “Ik scheid van u” zegt. Meestal worden de meisjes na de vakantie verstoten, sommigen gaan mee naar de Golf om een jaar later weer bij hun ouders op de stoep te staan. Die constructie bevalt kennelijk zo goed, dat Golfarabieren via huwelijksmakelaars nu ook meisjes trouwen zonder er zelf voor naar Egypte te reizen. Als die meisjes na zo'n huwelijk terugkeren, zijn ze vaak outcast in eigen land.

Geldkraan

Heba, negentien, is nu prostituee. Omdat ze zich schaamt heeft ze een collega meegenomen om het woord te doen. “Heba is ziek in haar hoofd”,zegt die. Als een magere vogel, diep weggedoken in een rafelige roze glitter-shawl, drinkt Heba citroenlimonade in een koffiehuis in de Khan el-Khalili, de beroemde soek die voor toeristen heel wat schilderachtiger is dan voor Egyptenaren zelf. De soek is haar werkterrein. Tegen Heba's borst ligt een jongetje stil naar het plafond te kijken.

Heba woonde met haar ouders en zeven jongere broers en zusjes in Neslit is-Simen, een pauperbuurt in Kairo. Haar vader werkte lange tijd als bouwvakker in Saoedi-Arabie. Net als de honderdduizenden andere Egyptische gastarbeiders daar ontwikkelde hij een diepe afkeer voor de 'kameelrijders'. In zijn ogen zijn Saoediërs mensen zonder enige geschiedenis, die per ongeluk rijk werden toen de olie werd ontdekt, en die nu de afstammelingen van de roemrijke farao's het vuile werk voor zich laten doen. Heba's vader werd ziek, keerde terug naar Egypte en gaf daar al zijn spaargeld aan ziekenhuizen uit. Hij kon niet meer werken en de familie verviel tot de bedelstaf.

Toen Heba net zestien was, en op het punt stond te trouwen met een jongeman uit de buurt, diende zich via-via een vreemde Egyptische dame aan. Zij kon Heba aan een rijke man helpen. Toen Heba's vader hoorde dat een Saoediër vijftienduizend pond (zevenduizend gulden), een gouden ring en een armband voor zijn dochter bood, had hij ja gezegd. Heba werd niets gevraagd, behalve of ze kon zweren dat ze nog maagd was. De Saoediër was 65. Ze trouwden en na twee weken 'vakantie' in een Kaireens appartement ging ze met hem mee naar Jeddah. Hij bleek twee andere vrouwen te hebben, Saoedische vrouwen. “Heba”, zegt de collega, “moest dingen met hem doen die haram zijn, verboden in de islam, en die hij zijn Saoedische echtgenotes dus niet kon vragen.” Twee jaar later stuurde hij Heba terug naar Egypte. Ze mocht haar sieraden niet eens houden. Ze had intussen een kind dat de Saoediër niet wilde erkennen. Toen haar vader haar binnen zag komen, zette hij haar prompt op straat, met kind en al. “Verdwijn, sharmuta, hoer!” De buurkinderen hadden Heba nagejoeld tot ze de hoek om was.

Heba's kind kan later niet naar school en wordt in geen ziekenhuis geholpen, want het heeft geen Egyptische vader en dus geen Egyptisch paspoort. Haar kind bestaat dus niet. Zelf bestaat ze ook nauwelijks meer. Ze woont in de 'Stad van de Doden', de necropolis van Kairo, die niet alleen vanwege de Marmelukkische tombes een toeristenattractie is geworden, maar ook omdat verschoppelingen als Heba er wonen. Er is geen man die nog met haar wil trouwen. Omdat Heba met een Saoediër getrouwd is geweest, wordt zij geacht te weten wat Golfarabieren willen. Haar pooier stuurt haar deze maanden vaak naar vijfsterrenhotels als het Marriott of het Semiramis.

Niemand weet hoeveel 'gevallen vrouwen' er in Egypte rondlopen, laat staan hoeveel tienduizenden mensen er intussen deel hebben aan de sex-industrie. Het onderwerp is volstrekt taboe. Egyptische kranten staan bol van de artikelen over de corrumperende invloed van de Westerse cultuur. Maar omdat bijna alle kranten met Saoedisch geld gesponsord worden, of zelfs een Saoedische eigenaar hebben, is er geen denken aan dat er structureel over de problemen van het Golftoerisme geschreven kan worden. Toen 'El Dustur' dit voorjaar in bedekte termen meldde dat een Egyptische gastarbeider een paar Saoediërs had vermoord, omdat ze zijn vrouw zouden hebben verkracht, werd de geldkraan van de krant prompt dichtgedraaid. Van een andere krant werden alle exemplaren na een toespeling op een dergelijk incident door de Saoediërs opgekocht.

Ook de Egyptische regering negeert het thema. “Voor de oliecrisis van 1973”, zegt een medewerker van een hulporganisatie die vrouwen als Heba probeert te resocialiseren, “was het onderwerp bespreekbaar. Toen was de Golf nog niet zo rijk. Nu kopen ze hier alles, inclusief onze ziel. En wij moeten erover zwijgen.”

Hijzelf moet undercover werken. Als hij in een wijk een project wil opzetten, heeft hij overheidstoestemming nodig. Die krijgt hij nooit als hij eerlijk zegt wat zijn doel is. “Dat probleem bestaat godzijdank in Egypte niet”, kreeg hij al meermalen van ambtenaren te horen. Het is het standaard-antwoord van iedere instantie - zelfs bij de zedenpolitie. De regering, wier regionale vredespolitiek door veel Golfstaten wordt gesteund, wil geen diplomatieke aanvaringen. Bovendien wil zij de jaarlijkse miljoenenstromen uit de Golf niet in gevaar brengen. De overheid is juist verwoed bezig meer investeerders naar Egypte te lokken. Zo is een deel van de eens beroemde Egyptische filmindustrie al door Saoediërs betaald. Omdat Saoedi-Arabië in de regio verreweg de grootste afnemer is geworden van Egyptische soaps, worden er nauwelijks nog films gemaakt in de kruidige kuis-schalkse stijl waar ze tot in Libanon en Marokko beroemd om waren. De deuren staan tegenwoordig altijd open als een man en een vrouw elkaar in een serie een hand geven - wat trouwens al een hele wilde scène is voor de Saoediërs, want die mogen vrouwen de hand niet schudden. Dochters die hun vader een nachtzoen geven, worden door de censor uit het script geschrapt. Die censor is een Saoediër.

Dankzij Egypte kan heel Saoedie-Arabië thuis naar brave, melige soaps op de tv kijken. Die soaps zijn een waarheidsgetrouwe afspiegeling van wat in grote delen van de Golf geoorloofd is en wat niet. Een goede aanwijzing dat de Golfarabieren voorlopig naar Kairo zullen moeten voor het losbandige leven.

    • Caroline de Gruyter