Het geluk van samen er voor gáán!

Een enkele keer lukt het me. Dan zwelt mijn gemoed en zing ik de lof van mijn broodheer. Tegenover een gehoor van wildvreemden roem ik de resultaten van mijn organisatie, en prijs mijzelf gelukkig een bescheiden bijdrage daaraan te mogen leveren. In zo'n extatisch moment is de missie van mijn bedrijf ook mijn missie: ik weet dan plotseling heel zeker dat mijn excellente onderneming en ik over vier jaar de absolute top in ons marktsegment bereikt zullen hebben.

Het is een vreemd geluk dat je uittilt boven de grondmist van de dagelijkse sleur, en je werkend bestaan in een nieuw licht plaatst. Je beseft ineens dat al je aardse arbeid past in een kader: het organisatiebreed gedragen en door de ondernemingsraad gefiatteerde business plan. En dat het welslagen ervan een kwestie is van er samen voor gaan.

Dit geluk duurt meestal maar even. Want de gedachte dat je er samen voor moet gaan, impliceert in mijn geval dat de weg naar het succes afgelegd moet worden met mijn directe collega's. En dat gegeven dempt onmiddellijk iedere euforie.

Mijn collega's zijn namelijk allemaal uit hetzelfde hout gesneden als ik. Aardig, dat zeker, maar als het erop aankomt weinig dynamisch. We houden niet van verandering. En zeker niet van veranderingen die wij niet zelf bedacht hebben. Als we ergens voor moeten gaan bepalen we zelf het doel, en het tempo. Mijn collega's en ik zijn wat dat betreft onverbeterlijke stijfkoppen.

De oorzaak daarvan ligt in de vroege jaren vijftig. In een grote demografische wee werden we toen op de wereld gezet, en daardoor vormden we vanaf de start een zeer luidruchtige maar hechte groep leeftijdsgenoten. Deze gang ging louter door de macht van het ledental al gauw aan zelfoverschatting lijden en werd een plaag voor de generaties die de leden moest opvoeden. Wij konden alles zelf veel beter, dachten we, en hielden daarom iedere bemoeienis van buiten op afstand. Over en weer groeide daardoor het wantrouwen. Mijn generatie veroordeelde zo zichzelf al in een vroeg stadium tot een eenzame tocht door de geschiedenis. Als een stugge massa onwil bewogen wij ons voort. Baby-boomers forever.

En anno 1996 zijn we dan, middelloon-technisch gezien, aangeland op het hoogtepunt van onze maatschappelijke carrière, en tevens de nachtmerrie van ondernemend Nederland geworden. Want het zijn de onverzettelijke geboortegolvers die momenteel elke poging tot dynamisering van de arbeid frustreren. Ze bevolken en masse de meest geriefelijke functies en salarisschalen, en geen personeelsmanager krijgt hen daaruit. Wat er ook geprobeerd wordt, met functioneringsgesprekken, bijscholing, job-rotation, opfrisverlof, of outplacementtrajecten, het helpt allemaal niets. Onze kritische generatie is van dit soort manipulatietechnieken absoluut niet gediend. En blijft dan ook breeduit zitten waar ze zit.

Op mijn werkplek leidt deze patstelling herhaaldelijk tot bizarre taferelen. Het management dat knap zenuwachtig wordt van zo'n onwillig personeelsbestand produceert in steeds hoger tempo allerlei initiatieven om de organisatie klaar te stomen voor het jaar 2000. Maar al de pogingen om de responsive workforce te genereren die de nieuwe eeuw nodig heeft, worden door ons even zo vrolijk in de papierversnipperaar geschoven. Dat is intussen een magisch bezweringsritueel geworden, een bedrijfsgebonden happening, waarmee wij, laat-veertigers, de toekomst tot aan onze pensioenering op afstand proberen te houden. En door de macht van het aantal houden we dit langer vol dan de knapste organisatiedeskundigen voor mogelijk hielden.

De laatste tijd echter lopen steeds meer generatiegenoten over naar het kamp van de vernieuwing. Dat komt omdat de jonge dames en heren van Human Resources in hun wanhoop een heel ouderwets middel zijn gaan gebruiken om de zo gewenste loyaliteit aan het ondernemingsplan af te dwingen: steekpenningen. Er wordt op grote schaal met geld geschoven.

Prestatiebeloning heet dat officieel en het betekent dat er allerlei geheimzinnige geldstromen buiten de salarisschalen om in de zakken van collega's verdwijnen zonder dat wij dat van elkaar weten. Wie eenmaal zo'n bedrag heeft aangenomen staat de volgende dag toch wat minder solidair mee te zingen bij de papierversnipperaar. Zo ontving een zeer kritische collega onlangs tot zijn eigen stomme verbazing van het College van Bestuur een grote envelop met geld. Hij was door een 'anonieme jury van medewerkers' uitgeroepen tot de Werker van het Jaar. Sindsdien loopt hij schichtig over de afdeling en het gerucht gaat dat hij zich vrijwillig gemeld heeft voor een functioneringsgesprek.

De nieuwste poging tot omkoping stond vorige week in ons personeelsblad. De directie belooft daarin aan iedere medewerker een bedrag van duizend gulden als hij ervoor zorgt dat de naam van onze organisatie in een televisieprogramma wordt genoemd. In een positieve context uiteraard, waarbij de kwaliteit en de flexibiliteit van ons bedrijf sterk benadrukt moeten worden.

Er stond niet bij wat een naamsvermelding in de redactionele kolommen van een gerespecteerd dagblad oplevert, maar ik neem aan dat als ik op deze plaats de naam van mijn onderwijsinstelling, correct gespeld en voorzien van adres en telefoonnummer, neerschrijf, mijn superieuren daar een genereus bedrag voor over hebben.

Doen of niet doen?

Wat moet de keuze van mijn generatie zijn ?

Misschien moet ik oom Frits eens bellen.