Een dag op stap met een Europees zwaargewicht

De Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, telt nu al twintig commissarissen en dreigt bij uitbreiding van de Unie naar Oost-Europa uit te groeien tot een onwerkbaar legertje van zo'n veertig leden. Hoe wordt de Europese Unie efficiënter? Een dag op stap met Karel van Miert, de Belgische Eurocommissaris voor concurrentiebeleid.

BRUSSEL, 28 SEPT. “Vandaag heb ik een bankdag”, grinnikt Karel van Miert. Het is tien uur 's ochtends en de Eurocommissaris heeft net een vertrouwelijk gesprek achter de rug met een topman van de Belgische bank BBL. Vanmiddag staat een onderhoud met vertegenwoordigers van de Duitse publieke banken op het programma en vanavond een lezing voor Westvlaamse bankiers. Tussen de bedrijven door overlegt de commissaris met zijn medewerkers over de 1,3 miljard gulden staatssteun die de Franse overheid wil verstrekken aan de noodlijdende bank Crédit Lyonnais. Op de wekelijkse vergadering woensdag met zijn collega's moet Van Miert uitleg geven over dit voorstel, maar hij heeft nog geen informatie van de Franse regering. “Heeft Arthuis al gebeld?” vraagt hij herhaaldelijk aan zijn secretaresse. Pas 's avonds arriveert een fax van de Franse minister van Financiën.

Karel van Miert (54, socialist) staat bekend als een capabele pragmaticus, die niet over zich laat lopen en gemakkelijk benaderbaar is. Medewerkers en collega's kunnen vrij binnenlopen in zijn ruime kantoor op de achtste verdieping van het Breydel-gebouw waar de Europese Commissie is gehuisvest. De Belg deelt de verdieping met zijn collega's De Silguy (Financiën), Flynn (Sociale Zaken) en Papoutsis (Energie). Op een kast in zijn kantoor staan souvenirs als een brokje Eurotunnel en een speelgoedtreintje, die herinneren aan zijn vorige post als commissaris van Transport. Van Miert, die in 1989 in de Commissie kwam, is een van de meest ervaren commissarissen en een van de drukste. Concurrentie is een zware portefeuille, want in de EU draait vrijwel alles om mededingingsbeleid dat een vrije markt moet garanderen. Telkens weer proberen regeringen noodlijdende banken, bijna failliete staalbedrijven of deficitaire luchtvaartmaatschappijen geld toe te stoppen, en moet Van Miert ingrijpen. Staatssteun is op enkele uitzonderingen na verboden en moet altijd worden aangemeld bij de Commissie, hoewel dit in een op de tien gevallen niet gebeurt. Het aantal nieuwe steunzaken dat Van Mierts ambtenaren vorig jaar in behandeling namen, steeg met 35 procent. Het totale aantal nieuwe zaken (staatssteun, kartelvorming en concentraties) nam toe van 1.081 in 1994 tot 1.472 vorig jaar.

De werkdag van de Eurocommissaris begint om acht uur, als chauffeur Rudy hem in Kortenberg ophaalt. Onderweg naar Brussel neemt hij vast wat dossiers door. Om negen uur houdt zijn kabinet - acht persoonlijke medewerkers - een coördinatievergadering en als hij dat nodig vindt, loopt Van Miert even binnen. 's Avonds verlaat hij zijn kantoor rond zevenen. Afspraken in de avonduren vermijdt Van Miert, zodat hij thuis dossiers voor de volgende dag kan doornemen. De lezing vanavond voor bankiers in Kortrijk is een uitzondering, volgens de commissaris nodig omdat hij zich de laatste tijd weinig geliefd maakte in België. Impopulaire besluiten als het verbod op overheidssteun aan staalbedrijf Forges de Clabecq of het tegenhouden van een aandeelhouderspact van de BBL kunnen wel wat extra toelichting gebruiken.

De dagtaak van een commissaris blijkt grotendeels te bestaan uit praten. Deze morgen, na zijn gesprek met de BBL-topman en een interview, heeft Van Miert een bijeenkomst met Duitse parlementariërs. Zij komen klagen over de lage posttarieven van andere Europese landen, waaronder Nederland. Van Miert belooft het probleem te bestuderen en de Duitse afvaardiging lijkt tevreden. Terug in zijn kantoor leest de commissaris een speech door over de noodzaak van wereldwijde concurrentieregels, die hij even later elders in Brussel afsteekt voor een publiek van ambassadepersoneel en medewerkers van grote bedrijven. Lunchlezingen neemt Van Miert aan, mits het onderwerp met zijn portefeuille verband houdt. “Ik moet toch lunchen.”

Terug in 'Breydel' praat Van Miert anderhalf uur achter gesloten deuren met vertegenwoordigers van de Duitse publieke banken. Daarna volgt een interview met de commerciële Duitse televisiezender NTV over het verbod dat de Commissie onlangs uitsprak op overheidssteun aan Volkswagen. Van Miert betoogt dat Duitsland, tot voor kort een van de braafste leerlingen wat staatshulp betreft, de laatste tijd Europees kampioen overheidssteun is geworden. Op dit moment, aldus de commissaris, geven Nederland en Denemarken de minste staatssteun. Hij spreekt voorts zijn zorg uit over de Intergouvernementele Conferentie (IGC), de herziening van het Verdrag van Maastricht, die tot nu toe een zeer beperkt resultaat opleverde. “De Europese Unie bereidt zich niet goed voor op de uitbreiding”, waarschuwt Van Miert. “Dat leidt tot verwatering.”

Hoe Europese instellingen als de Commissie efficiënter te maken is een van de hoofdthema's van de IGC. Voorzitter Santer kondigde bij zijn aantreden vorig jaar al aan dat de Commissie minder moet doen, maar wel beter. Dat is volgens Van Miert gelukt: “Het aantal wetgevende initiatieven, vroeger tientallen per jaar, is drastisch beperkt.” Tegelijkertijd signaleert hij een verschuiving in de functie van de Commissie: van het opstellen van wetten naar beheerstaken. “De Commissie moet wel optreden als scheidsrechter, want lidstaten vertrouwen elkaar niet - zeker niet op het gebied van staatssteun.”

In acht genomen dat de Commissie werkt voor vijftien landen in elf verschillende talen vindt Van Miert dat de instelling goed functioneert. Critici vinden dat bijvoorbeeld de omvang van de kabinetten, nu zes tot tien medewerkers per commissaris, kleiner moet. Van Miert vindt dat hij niet met minder dan acht toekan. Ook de 500 ambtenaren die voor het directoraat-generaal concurrentie (DG4) werken, noemt hij “relatief weinig voor zoveel zaken”. Wel vindt hij dat de commissie zelf maximaal vijftien leden moet tellen. “Bij de laatste verdeling moesten portefeuilles met knippen en plakken aan elkaar worden gelijmd.” Opsplitsing van portefeuilles, zoals gebeurde met buitenlands beleid, is volgens Van Miert slecht. “Nu gaat het wel, maar in het begin functioneerde dat niet. Het geeft ook problemen met de vertegenwoordiging naar buiten.” Om te voorkomen dat ze na de uitbreiding zitten met “een legertje commissarissen waarvan de coördinatie erg moeilijk is”, moeten de lidstaten nu ingrijpen. “Je kunt bijvoorbeeld denken aan een systeem met juniors en seniors, waarbij juniors een soort staatssecretaris zijn.”

Vooral kleinere lidstaten houden vast aan hun eigen vertegenwoordiger in de Commissie. Hoewel commissarissen moeten handelen los van nationale belangen, komen ze in de praktijk wel degelijk op voor hun land. Zo vroeg Hans van den Broek (betrekkingen met Oost-Europa) vorig jaar geld voor dijkverzwaring in Nederland. Volgens Van Miert is een beperkte mate van nationalisme niet erg. “Commissarissen leven niet in een ivoren toren. In verband met staatssteun kunnen ze soms nog eens de specifieke gevoeligheden in hun land uitleggen.” Maar hij noemt het een plicht dat ze geen instructies aanvaarden. “Daartoe hebben we een eed afgelegd.” Dat instructies wel eens worden gegeven bleek vorige zomer, toen de Duitse commissarissen Bangemann (Industrie) en Wulf-Mathies (Regionaal Beleid) van hun regering het verzoek kregen tegen een voorstel te stemmen over harmonisatie van de minimumgarantie op produkten.

Van Miert heeft “gelukkig nooit last gehad met de Belgische regering”. Wel krijgt hij kritiek uit eigen land. “Van Miert gedraagt zich als een Rambo in het kleine Wallonië. Maar van de groten in Europa is hij bang”, schamperde onlangs de Waalse premier Collignon, na het verbod op staatssteun aan Forges de Clabecq. “De man had geen geluk”, reageert Van Miert. “Juist nu loopt een zaak tegen Duitse steun aan Volkswagen.”

De Commissie besluit op haar wekelijkse vergadering bij meerderheid, maar meestal komt het niet tot stemming. Veel zaken zijn zodanig voorbereid door de chefs van de kabinetten dat discussie niet meer nodig is. De Belgische commissaris heeft iedere week wel onderwerpen op de agenda zoals nu de noodhulp aan Crédit Lyonnais. Het gewicht van een commissaris wordt volgens Van Miert behalve door zijn portefeuille ook bepaald door ervaring. “Kennis opgedaan op andere departementen maakt dat je over allerlei zaken kunt meediscussiëren.” Behalve de Belg met zijn zeven dienstjaren zijn ook de Britse Sir Leon Brittan (Buitenlandse Handel) en de Spanjaard Marin (Latijns Amerika) ervaren zwaargewichten. De laatste zetelt al tien jaar in Brussel.

Toen de Commissie begin vorig jaar aantrad was de sfeer gespannen. Het getouwtrek om portefeuilles had wrevel opgeroepen. Een verdere verkilling veroorzaakte de Deense Bjerregaard (Milieu) door letterlijk een boekje open te doen over haar ervaringen in de Commissie. Ze schreef ondermeer dat haar collega Bangemann meer af- dan aanwezig was op vergaderingen. Na een onderhoud met Santer trok ze haar boek in. “Nu zijn spanningen uitzonderlijk”, zegt Van Miert, wiens contacten met sommige collega's verder gaan dan het professionele. “Morgen heb ik bijvoorbeeld een etentje bij Neil (Kinnock, de commissaris voor Vervoer, red.) die wat partijpolitieke vrienden heeft uitgenodigd.”

Deze avond, om half zeven, staat de dienstauto klaar om de commissaris naar Kortrijk te brengen. Onderweg eet hij een boterham en peertjes uit eigen boomgaard om vervolgens, ten overstaan van een paar honderd Westvlaamse bankiers en verzekeraars, opnieuw de voordelen te bezingen van het Europese mededingingsbeleid, “het meest omvattende concurrentiebeleid ter wereld.” Met verve verdedigt de socialist het principe van de vrije markt, zo lang dit niet leidt tot “wilde concurrentie”. Daarom pleit hij nogmaals voor internationale spelregels. Om half twaalf, op weg naar huis, kijkt de commissaris de dossiers van de volgende dag door: een onderhoud met een Crédit Lyonnais-topman, een afgevaardigde van de Belgische telefoonmaatschappij Belgacom en een interview met The Economist. Heimwee naar de thans veelgeplaagde Belgische politiek heeft hij niet. “Acht jaar geleden kon ik kiezen: commissaris of minister van Buitenlandse Zaken. Ik heb geen spijt van mijn keuze.” Het enige wat hij vervelend vindt is dat zaken als het verbod op staatssteun aan Volkswagen worden aangegrepen om het nut van de hele Europese Unie in twijfel te trekken. “Dat gebeurt steeds meer. Spijtig dat men zo het idee van de Europese eenwording zelf op de tocht zet.”

Twee dagen later, afgelopen woensdag, stemde de Commissie unaniem in met de noodhulp voor Crédit Lyonnais, in afwachting van een reddingsplan dat de bank opnieuw aantrekkelijk moet maken voor investeerders. Tegelijkertijd leverde de Commissie kritiek op de Franse regering die haar slecht had geïnformeerd over de zorgwekkende staat van de bank.