De wonderbaarlijke opmars van de Talibaan

KARACHI, 28 SEPT. De Talibaan zelf hebben er nooit een moment aan getwijfeld: als Allah het in zijn onbegrensde wijsheid zo wilde, zou de Afghaanse hoofdstad Kabul in hun handen vallen. Ook nadat de streng islamitische militie een paar maal pijnlijk door de doorgewinterde troepen van president Burhanuddin Rabbani voor de poorten van Kabul was teruggeslagen, bleven ze onvoorwaardelijk in hun kansen geloven.

Gisteren werd hun geduld beloond en konden ze met de inname van Kabul de kroon zetten op een wonderbaarlijke opmars door het land. Begonnen als een groepje onstuimige Afghaanse studenten van islamitische scholen in het buurland Pakistan, zijn de Talibaan in minder dan twee jaar met horten en stoten uitgegroeid tot de onbetwiste meesters van Afghanistan.

Het geheim van hun succes is terug te voeren op twee omstandigheden. Ten eerste beloofden de Talibaan de bevolking, die al meer dan vijftien jaar lang door oorlog was geteisterd, rust en orde. Dat dat geen loze woorden waren, toonden ze aan in de gebieden die ze onder de voet liepen. Iedereen die niet tot de Talibaan behoorde werd ontwapend en alle vormen van corruptie werden keihard bestraft, soms met lijfstraffen overeenkomstig de shari'a, het islamitische recht. Veel tegenstanders kozen eieren voor hun geld en sloten zich aan bij de snel uitdijende legers van de Talibaan.

De meeste Afghanen in de door de Talibaan 'bevrijde' gebieden, herademden. Na jaren van angst konden ze weer veilig over straat lopen. Niet langer hoefden ze bang te zijn dat er plotseling iemand het vuur op hen zou openen of dat een man met een kalasjnikov nonchalant over de schouder geld kwam eisen. Vooral de middenstand was de Talibaan hiervoor innig dankbaar en, bij stijgende omzetten, betaalden de winkeliers de Talibaan gewillig belastingen.

Een andere factor die de Talibaan een stevige rugwind gaf, waren hun tegenstanders, de eens zo roemrijke strijders van de Heilige Oorlog tegen de Sovjet-legers en hun Afghaanse bondgenoten. Zelden in de geschiedenis zullen mensen die zich met hun dappere strijd zoveel sympathie en krediet hadden verworven, die weer zo snel hebben verspeeld. De mujahedeen die in 1992 de grote Afghaanse steden binnentrokken, ontpopten zich, enkele uitzonderingen daargelaten, als rampzalig slechte bestuurders.

Ze betrokken dure villa's, raasden rond in kostbare Landrovers en Mercedessen, persten mensen her en der geld af en bleven intussen onverstoorbaar doorgaan met het enige waarin ze werkelijk uitblonken: vechten. De Russen hadden hun hielen nog niet gelicht, of ze bonden de strijd aan met elkaar. Zo slaagden ze er niet alleen in de Afghaanse bevolking, die snakte naar vrede, razendsnel van zich te vervreemden maar ook de internationale donorgemeenschap, die in 1992 nog klaar had gestaan met zakken vol geld voor de wederopbouw van het land maar dat gaandeweg liever aan staten gaf waar meer stabiliteit heerste.

Met de verdrijving van president Burhanuddin Rabbani, zijn veldheer Ahmed Shah Massoud en premier Gulbuddin Hekmatyar uit Kabul, een trio dat meer dan wie ook het symbool vormde van de stagnatie van de afgelopen vier jaar, lijkt het tijdvak van de mujahedeen voorbij. Het is tekenend dat Massoud, die algemeen werd beschouwd als een uiterst kundig militair strateeg, het pleit uiteindelijk heeft verloren tegen enthousiaste jongens die van vechten weinig verstand hadden maar op meer steun van de bevolking konden rekenen.

Niet iedereen is echter even verguld met de komst van de Talibaan. In Kabul, dat tot dusverre een betrekkelijk liberaal klimaat kende, moet veel vrouwen de schrik om het hart zijn geslagen toen de bebaarde Talibaan de stad binnenmarcheerden. Het zal onder de Talibaan onherroepelijk uit zijn met de half afgezakte sluiers op hun hoofd, die hun haar met opzet gedeeltelijk bloot gaven, met de lipstick en de elegante pumps. In plaats daarvan wacht hun de burqa, het spookachtige gewaad dat het hele lichaam bedekt en slechts een rastervenstertje voor de ogen openlaat.

Erger nog, het valt zeer te bezien of veel vrouwen buitenshuis kunnen blijven werken, want ook dat keuren de streng fundamentalistische Talibaan in principe af. Onderwijs voor meisjes kan al evenmin genade vinden in de ogen van de meeste Talibaan. Overigens verklaarde de kersverse Talibaan-leider in Kabul, de 38-jarige Mullah Mohammed Rabbani, gisteren op een persconferentie dat hij niet per se tegen alle vormen van onderwijs voor vrouwen is.

Het is niet uitgesloten dat de Talibaan zich uit tactische overwegingen iets gematigder zullen opstellen in Kabul dan op het veel conservatievere platteland. In de zuidoostelijke stad Kandahar bewezen ze vorig jaar wel degelijk water bij de wijn te willen doen als de bevolking begint te mokken. Zo mochten vrouwen daar aanvankelijk niet meer de straat op om boodschappen te doen. Dit leidde al snel tot woedende reacties, niet alleen van vrouwen, maar ook van winkeliers die hun omzet zagen dalen. Het besluit werd vervolgens snel herroepen. De Talibaan verspelen niet graag de volksgunst. In het vorig jaar veroverde Herat staan ze oogluikend onderwijs voor meisjes toe.

Ook zullen zeker niet alle etnische groepen uit Afghanistan even blij zijn met het succes van de Talibaan, vooral een beweging van Pathanen, de grootste etnische groep in het land. Met de verovering van Kabul hebben ze na een Tadzjieks intermezzo in de hoofdstad (Rabbani en Massoud horen beiden tot die groep) hun historische hegemonie in het land hersteld.

Behalve de Tadzjieken zullen ook de Oezbeken, die in het noorden van het land een min of meer onafhankelijk staatje hebben onder leiding van generaal Abdul Rasheed Dostam, en de shi'itische minderheid van de Hazara's (de Talibaan zijn sunnitisch), de opmars van de militie met gemengde gevoelens hebben begroet. De heerschappij van de Talibaan in Kabul betekent overigens allerminst dat deze minderheden, die in het noorden van het land zijn geconcentreerd, zich nu verder naar hun luimen zullen richten. Daarvoor zijn de etnische en culturele verschillen te groot en is Afghanistan vanouds te zeer gedecentraliseerd.

Ook buiten de grenzen van Afghanistan lopen de reacties op het succes van de Talibaan uiteen. Pakistan, dat vanaf het begin is verdacht van ruimhartige steun aan de Talibaan, juicht de verovering van Kabul toe. Islamabad zal het nieuwe regime ongetwijfeld een dezer dagen erkennen. Voor het shi'itische Iran daarentegen was de val Kabul een jobstijding en ook Oezbekistan en Rusland, dat zich de laatste tijd weer intensiever met de ontwikkelingen in Afghanistan bezighoudt, zijn er niet blij mee.

De grote vraag is nu: wat zal het nieuwe bewind Afghanistan brengen? Velen, die het wanbestuur van de mujahedeen beu waren, hebben zichzelf die vraag nog amper gesteld. Dat er meer orde zal heersen dan de laatste jaren staat vast, dat de vrouw nog sterker uit het openbare leven zal worden teruggedrongen dan al het geval was, is eveneens zeker. Maar of de Talibaan, die er veelal een verbijsterend simpel wereldbeeld op na houden, meer kaas gegeten hebben van het opzetten van een normaal civiel bestuur dan de mujahedeen is hoogst onzeker. Een eerste belangrijke test voor de overwinnaars zal zijn of ze erin slagen de zwaarden van hun eigen, sterk gegroeide legers om te smeden tot ploegscharen. Alleen dan heeft Afghanistan eindelijk echt kans op vrede.