De historische band tussen Nederland en Zuid-Afrika; Gevoelens van verkleefdheid

Wie wil nog weten dat Willem III de vlag van de Oranje-Vrijstaat liet ontwerpen? Zodra het de Nederlandse betrekkingen met zuidelijk Afrika betreft, duikt het begrip verwantschap op. De schaamte daarover is nu voorbij: komende week brengt koningin Beatrix het eerste Nederlandse staatsbezoek aan Zuid-Afrika. Over onze haat-liefdeverhouding met de Boeren.

Soms zou je willen dat er overal gefilmd was, al millennia lang, en het liefst in kleur.

In de namiddag van 31 januari 1938 wordt op een heuveltje ten zuiden van Pretoria een brandstapel aangelegd. De plaatselijke padvinderij zeult het hout naar boven. Oud-Nederlanders, 'Afrikaner-vriende van Oranjehof' en voortrekkers van het Kommando Jan Lombard: een menigte van om en nabij zevenduizend mensen viert de geboorte van prinses Beatrix met een metershoog feestvuur. De secretaris van de Hollandse gezant neemt het woord: “Heden is de kans vergroot dat Haar (Koningin Wilhelmina's, HvW) werk zal worden voortgezet tot in lengte van dagen.” Zodra de vlammen oplaaien gaan de klokken luiden, van de Nederduitsch Hervormde Gemeente in de Du Toitstraat, en van de gereformeerde kerken elders in het stadje.

Hoe hard is het licht op een 'koppie' buiten Pretoria in 1938? Zijn de deftige pakken, de hoeden die je van de foto's kent, werkelijk zo angstaanjagend zwart? Wappert het rood-wit-blauw? En wat betekent het koningshuis hier? Misschien is het een eigenaardigheid van mijn generatie dat je het verleden wilt voorstellen als één lange epische rolprent die nooit is opgenomen. Schrale troost: zelfs al draaiden de camera's dan zou je van die zevenduizend nog de doopceel moeten lichten om er achter te komen waar hun sympathieën lagen, of hoe het oranjegevoel zich toen werkelijk manifesteerde.

Verwantschap is een curieus begrip. Het duikt telkens op zodra het de betrekkingen met zuidelijk Afrika betreft - iets waarvoor de publieke opinie in Nederland zich de laatste decennia om voor de hand liggende, bijna obligate redenen is gaan schamen. In het verleden sleepte men daar niet zelden het koningshuis bij, maar dat zijn we vergeten. Wie weet er nog dat Willem III de vlag van de Oranje-Vrijstaat liet ontwerpen? Dat de Transvaalse republiek Wilhelmina's verjaardag tot openbare feestdag verklaarde?

Nu koningin Beatrix binnen enkele dagen op staatsbezoek naar het land afreist dringt de vraag zich op: hoe zat het ook weer met de Oranjes en onze neefjes in Zuid-Afrika?

In mei 1838 deed prins Willem Frederik - zoon van Willem II - Kaapstad aan. Hij werd warm onthaald, wat hem zal hebben verbaasd. De kolonie was al meer dan dertig jaar Brits, minder dan de helft van de Europeanen sprak nog een soort Nederlands. Hollandse belangstelling voor de Kaap stond gelijk aan nul. Toch liep men in Stellenbosch te hoop met oranjevlaggen. Er werden vreugdeschoten gelost. “Ook in Afrika's afgelegen uithoek wordt Uw Vorstelijk Huis steeds geëerd”, luidde het feestelijk adres, “in dit dorp is menig hart hetwelk U het heil toebrengt, als kwame het van Uw eigen volk.”

Ach, was ik er maar bij geweest, denk ik weer. Niet alleen om de vaandels te zien, of het Wilhelmus uit Afrikaanse kelen te horen, maar vanwege het 'alsof' dat er was ingeslopen: als kwame het van uw eigen volk. Hoe zag het er precies uit, dat bedelen om legitimatie in een 'afgelegen uithoek', die koloniale verlatingsangst, die nostalgie? Zelfs de Maleise slaven aan de Kaap zongen tijdens het jaarlijkse carnaval naast 'Wien Neerlands Bloed' nog altijd 'Al is ons prinsje nog zo klein'. (Ik herinner me dat hun - veelal islamitische - nakomelingen het tot in de jaren zestig van deze eeuw bleven zingen.)

Het lijkt erop dat de breuk niet helemaal als echt werd ervaren. Onder het Zuiderkruis verlangden ze terug naar het Bataafse Gemenebest. Alsof niet het kind, maar de ouders van huis waren gegaan.

En dan de heldhaftige Trek der Boeren. Die maakt geen deel meer uit van het Nederlandse zelfbeeld. Moet je daar rouwig om zijn? Op Zuidafrikaanse scholen werden we tot vervelens toe volgestampt met geschiedenis op Christelijk-Nasionale grondslag en, toegegeven, daar is genoeg van blijven hangen om het voor altijd te blijven persifleren. Boerentrek? Ezelskoppen! Slavendrijvers op zoek naar ruimte, net als de pioniers in het Amerikaanse westen, maar dan aanzienlijk minder vrolijk: cowboys met de statenbijbel, vastberaden om Afrikaans te blijven, ondanks de nostalgie naar een schimmig, half vergeten moederland.

Zó, ongeveer, leeft het voort. Onzin natuurlijk. Onze Boerenliefde uit de vorige eeuw is minstens even interessant als onze Boerenhaat van pakweg honderd jaar later. En de bijzonderheden van wat een tijdlang, zonder een spoor van ironie, bekend zou staan als 'de enige geslaagde volksplanting die Nederland in de wereld heeft gesticht' verdienen beter. Wie schrijft er eens een gedegen drieduizend bladzijden tellend standaardwerk? The Rise and Decline of the Dutch Diaspora.

De brief die de kersvers opgerichte republiek Oranje-Vrijstaat op 15 oktober 1854 uit Bloemfontein aan Z.M. Koning Willem III stuurde zou daarin niet mogen ontbreken. President Josias Hoffman deelt de vorst mee dat: “deze Loot van den oud-Vaderlandschen Boom in den naam van zijnen Staat [...] den naam van Uw Doorluchtig Huis heeft willen vereren.” Op voorstel van J. Groenendaal, een Nederlandse schoolmeester, ging het epistel gepaard met een diplomatiek verzoek om van de koning een vlag voor de nieuwe staat te mogen ontvangen.

Een jaar later liet Willem III weten: “Omstandigheden waaraan mijne voorvaderen even onschuldig waren als de Uwe hebben de gelukkige bevolking en de bloeiende landstreken, waarover Gij thans het bewind voert, aan hun gezag onttrokken. Diep is zulks dezerzijds betreurd. Sedert [de] onafhankelijkheid...stond het U vrij en was het ons geoorloofd lucht te geven aan de gevoelens van warme verkleefdheid, door aloude herinneringen en gemeenschappelijken oorsprong diep in het hart geplant en nimmer verzwakt.”

Op 28 februari 1857 werd het koninklijk dundoek gehesen, drie oranje banen tussen vier witte, met in de linker bovenhoek 'die ou bataafse vlag van rooi, wit en blou'.

Gevoelens van verkleefdheid? Ja en nee. De waardering voor de Hollandse diaspora blijft wispelturig, minder afhankelijk van feit dan van profijt. Zuid-Afrika is nooit wingewest geweest. Met een beetje kwade wil zou je kunnen zeggen: behalve dan voor een typisch Nederlandse vorm van verontwaardiging. Dat is in de negentiende eeuw zo, en in de twintigste. Het koningshuis diende daar rekening mee te houden, iets dat de vrouwelijke leden beter lukt dan de mannelijke. (Op mijn bureau ligt een knipsel uit Die Burger van 3 augustus 1963, met de kop Prins Bernhard Het Warm Hart vir Suid-Afrika. De prins benadrukt dat hij alles zal doen om de betrekkingen tussen de twee landen te verbeteren, “soos dié van een familie”. Het is godbetert drie jaar na de doden van Sharpeville, maar valt de man meer te verwijten dan naïviteit, en dat hij zich een paar generaties vergiste? Ik weet het niet.)

Rond 1880 hielden de Boeren zich in Hollands optiek onledig met “jagen, paardrijden, koffiedrinken, politiseren en landstabak omzetten in rook”. Naarmate de eeuw vorderde heette het echter: “De Transvaalse Boer is een model van ware geestdrift en het tegendeel van een fin-de-siècle mensch.”

De Nederlandse publieke belangstelling voor de Boerenrepublieken was lange tijd lauw gebleven. Maar de omslag in perceptie, toen hij eenmaal kwam, was heftiger dan je zou verwachten en breder dan deze citaten suggereren. In 1877 annexeerden de Engelsen de Transvaal. Vervolgens kwamen de Transvalers in opstand en het eerste gewapende conflict tussen Boer en Brit - de vrijheidsoorlog van 1880 - werd een feit. In Holland brak een storm van nationaal enthousiasme en Boerenhysterie los. Het Transvaal-comité te Purmerend stuurde een brief met elfduizend handtekeningen naar koningin Victoria. Het regende petities aan Willem III, met voorstellen tot bemiddeling en het advies Nederlands Borneo of Guyana af te staan in ruil voor vrijheid in Zuid-Afrika. Het Utrechts Hoofdcomité publiceerde brochures in vier talen en ontving steunbetuigingen uit heel Europa.

Wie de stukken inkijkt merkt dat de opwinding van 1881 en de twee decennia daarna tegelijk militanter was en koddiger aandoet dan die van een eeuw later, of komt dat door de vertekenende werking van de achterwaartse blik? Als iets bij mij warme gevoelens van verkleefdheid losmaakt, maar dan met de opgeruimdheid van die dagen, is het wel het schrijven van de Keizerlijke Opperhoutvester uit een woud in de buurt van Chemnitz:

“Sedert zeven jaar houd ik mij bezig met de oplossing van het probleem, de luchtballon wendbaar te maken. (...) Zou het de Boeren niet tot voordeel strekken, als zij voor de luchtverkenning over een dergelijk voertuig konden beschikken? Ik zou het in drie weken kunnen bouwen [en] binnen enkele dagen bij de Boeren zijn...” Hij vervolgt met de verzekering: “Zij, die van mijn aeronautische ideeën en talrijke experimenten nog niet op de hoogte zijn, komen deze als lichtelijk overspannen voor”, maar toch: “Welcher Erfindung wäre aber anfangs Dieses nicht passiert? (Dampfschiff, Eisenbahn, Telegraf etc.).”

Een prototype zeppelin naar de Transvaal? Voordat het enthousiasme in Noordeuropa goed en wel op gang was gekomen, was de eerste vrijheidsoorlog in het voordeel van de Boeren beslecht.

In 1883 stuurt Pretoria een driehonderd gram wegend klompje goud naar Willem III, uit dankbaarheid voor de getoonde sympathieën. Een jaar later bezoekt President Kruger Nederland en wordt hij door volksmassa's ontvangen. In Delft legt hij een krans bij het grafmonument voor Willem de Zwijger. De week daarop volgt audiëntie bij de koning en diens echtgenote Emma.

Ging de band tussen Nederland en Zuid-Afrika erop vooruit?

Niet echt, als je naar investeringscijfers of de emigratie kijkt. De grote volksverhuizing van de negentiende eeuw ging de andere kant op, richting Noord-Amerika. Het leven in het verafgelegen deel van 'Groot Holland' was hard. En de Nederlanders waarmee Kruger zich thuis omringde werden koel ontvangen, steeds koeler naarmate hun aandeel en invloed in het staatsapparaat, het onderwijs en de kerk toenam. Er ontstond zelfs een Hollander-kwestie. Dyklopers werden ze genoemd, platvoeten (platters). Of ze werden van negrofilie beschuldigd, wat minder waar was.

Pas in de jaren negentig, vlak voor het uitbreken van de Anglo-Boerenoorlog, is de stroom emigranten naar de Transvaal getalsmatig interessant geworden. De Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij (NZASM) bestaat voor meer dan de helft uit Hollandse werknemers, ongeveer eenderde van de 6000 landgenoten die zich in de republiek hadden gevestigd. Numeriek zijn de Engelsen, Duitsers en een bonte stoet van Russen, Polen, Amerikanen en Australiërs vele malen belangrijker - door de ontdekking van goud aangelokte 'uitlanders' die ook het Afrikaner Boerenbestaan bedreigen. De scramble for Africa zal een tweede conflict tussen Boer en Brit uiteindelijk onvermijdelijk maken. De aanwezige Hollanders worden er in meegezogen, met of zonder een zonverbleekte versie van de Groot-Hollandse gedachte in het achterhoofd.

Velen sluiten zich al vóór Krugers oorlogsverklaring op 11 oktober 1899 spontaan aan bij plaatselijke Boerenkommando's. Een groep emigranten richt het 450 man sterke Hollander Korps op, stelt zich onder bevel van J.P.L. Lombard, een Kapenaar, en wordt uitgerust met paarden en mausers.

Jan Lombard. Na de oorlog zal de padvindershorde naar hem worden vernoemd die bij de viering van de geboorte van Beatrix in Pretoria het hout voor de brandstapel aandraagt.

Baie manskappe moes nog leer paardry en skiet', lees ik in een verslag. Wat volgt moet toch een keer worden verfilmd. Amper veertien dagen na de oprichting trekt het Hollandse contingent samen met een Boerenkommando uit Johannesburg het Britse Natal binnen. Ze overvallen het station van het gehucht Elandslaagte, en maken een trein met een lading brandewijn en whisky buit. De stationsmeester en de telegrafist worden in hun kantoor opgesloten, maar niemand denkt er aan de seinapparatuur onklaar te maken of het spoor op te blazen. De volgende middag verschijnen de Engelsen per trein uit Ladysmith.

Ergens in Nederland, ik ben vergeten waar, moet nog een monument bestaan ter nagedachtenis aan de slag van Elandslaagte, maar voor de krijgshistorie en het verdere verloop van het conflict was zij even onbelangrijk als roemloos. Het bombardement begon om drie uur 's middags (only mad dogs and Englishmen go out in the noonday sun). Tegen duisternis zijn de Transvaalse bondgenoten omsingeld. De volgende ochtend heeft het Hollander Korps, na koud tien dagen oorlog, opgehouden te bestaan.

De Engelsen zullen beweren dat the Dutch hun moed uit de buitgemaakte flessen haalden en te dronken waren om een geweer te richten. Eén Hollander kwam pas na de handelingen weer bij kennis, keek om zich heen en zei: “'t Schijnt alsof ze hier gevochten hebben.” Het verhaal van de Engelsen wordt in een Afrikaans proefschrift uit 1942 zo heftig ontkend dat je er bijna in gaat geloven.

Wat wel vaststaat is dat zich tussen de krijgsgevangenen Willem Frederik Mondriaan bevond, de drie jaar jongere broer van Piet. Hij herstelt in een Brits hospitaal te Pietermaritzburg van zijn verwondingen en brengt de rest van de oorlog op St.Helena door.

Mondriaan was in de Transvaal als employé van de NZASM begonnen. Zo ook Cornelis Van Gogh, jongste broer van de schilder. Van Gogh sloot zich in de Oranje-Vrijstaat aan bij het vrijwilligerskorps van generaal Blignault. Na zijn gevangenneming door de Engelsen pleegde hij in april 1900 zelfmoord.

Er bestaat een uitdrukking in het Afrikaans: kat-kat loop. Een sluipgang met trekkende pootjes.

“My dear Aunt”, schreef koningin Wilhelmina in september 1899 aan Queen Victoria, “The serious news from South Africa that reached me these last days causes me great unhappiness...”. Een jaar later is het verzet van de Boerenrepublieken vrijwel gebroken, en annexeert Albion voor de tweede keer het grondgebied van de Transvaal. Wilhelmina stuurt de oorlogsbodem 'Gelderland' naar de oostkust van Afrika om Kruger op te halen.

Het is een gebaar dat haar onder Afrikaner nationalisten en Nederlanders in Zuid-Afrika onsterfelijk maakt. “Oom Paul”, vijfenzeventig, oud-testamentische baard, een Afrikaanse Willem van Oranje die in ballingschap edelmoedig ontvangen en gesteund zou worden door de bevallige, toen twintigjarige vorstin - een pregnant en voor Afrikaners hartverwarmend contrast.

Maar Wilhelmina verstond de kunst van het kat-kat loop. Kruger mocht op de 'Gelderland' geen Transvaalse vlag naast de driekleur laten wapperen. Toen premier Kuyper drie jaar later, na Krugers overlijden, opperde het stoffelijk overschot van 'de Mozes van Zuid-Afrika' aan boord van een van H.M.'s oorlogsschepen terug te sturen, stak de koningin daar persoonlijk een stokje voor.

Overigens voldeed Kruger in meerdere opzichten aan de behoefte die er in Nederland bestond aan een Blanke Nobele Wilde (het tegendeel van een fin-de-siècle mens). Hij hield hardnekkig vol dat de zon om de aarde draaide, en wekte met zijn orthodoxie de indruk van een man die niet alleen gemakshalve de Renaissance had overgeslagen maar aan wie ook de Verlichting ongemerkt voorbij was gegaan. Daar ging een charme van uit, de charme van een paardenstal. Hij zou hier na de Anglo-Boerenoorlog nog generaties lang in de volkslectuur worden geroemd.

De sentimenten van 'verwantschap' - door Wilhelmina en de Transvaalse oorlog nieuw leven ingeblazen - werden aan beide kanten van de evenaar gememoreerd, vaak door gedenktekens vormgegeven. Hoe vaak, blijft verbazen. 1922: een Steyn-Monument in Deventer. 1924: de viering van Krugers honderdste geboortedag met een gedenkplaat in Utrecht. De Kröller-Müllers richten op de Hoge Veluwe een tuin in voor generaal De Wet. Wilhelmina stuurt een persoonlijke gezant naar de inwijding van het Voortrekkermonument in Pretoria in 1948. Daar blijft men met regelmaat van de klok al haar jubilea vieren, verjaardagen, kroning, troonsafstand. Nog in 1981 worden er kransen gelegd bij de Wilhelmina-boom. En twee jaar later komt een groep te Magnoliadal bijeen om 'Die Wilhelmina Gedenkklip' te dopen, gebed, bijbellezing, het volkslied, zoals het hoort - alleen, het zijn er nog maar dertig. Bittereinders, vergeleken met de zevenduizend van 31 januari 1938.

En Juliana? Een Zuidafrikaanse krant schrijft in 1962: “Ons voel dat dit 'n nadeel was vir die nie altijd maklike betrekkinge tussen die twee verwante state dat die Suid-Afrikaners nooit nog 'n geleentheid gehad het om aan [haar] gasvryheid te betoon nie; aan haar eggenoot wel, wat ons iets laat sien het van die vrugbare moontlikhede van vorstelik besoek uit die stamland.”

Juliana wilde niet, al sinds de oorlog niet. Ze had de Zuidafrikaanse minister van buitenlandse zaken in 1949 onomwonden laten weten dat ze vanwege het apartheidsbeleid het land niet zou bezoeken. Los van de rassenwaan zat het zeer hem in het feit dat een deel van de Afrikaners in de periode '40-'45 blijk had gegeven van Duitse sympathieën. Prins Bernhard zou vijf jaar later een beeldje van Maria van Riebeeck in de Kaapse tuinen mogen onthullen, en bij thuiskomst verklaren dat zijn enige minder positieve indruk aan de Zuidkaap een 'zebra zonder staart' betrof. De koningin stortte in 1971 demonstratief een bedrag op rekening van de Wereldraad van Kerken, een instelling die indirect het ANC en PAC steunde.

Het was een daad die Hollandse emigranten nog verdrietiger maakte dan de Afrikaners. Wat die oud-Nederlanders betreft: voor het Afrikaner Apartheidsregime was immigratie een stelselmatig onderdeel van blank baasskap geworden. De na-oorlogse Hollandse emigratie nam een betekenisvolle vlucht, en zuidelijk Afrika kon voor het eerst in de geschiedenis als bestemmingsland wedijveren met Amerika. In de periode tot '76 vestigden zich 50.000 Nederlanders in de republiek, maar de grootste verhuizing vond vlak na de bevrijding plaats (in een steekproef uit 1955 geeft negen procent van de ondervraagden als reden voor vertrek naar Zuid-Afrika overigens het 'foute' oorlogsverleden aan).

De sok is een goed dat je over de voet aantrekt voordat je je schoen aandoet, maar er zijn altijd weer mensen die het andersom proberen. Als ik opnieuw die foto onder ogen krijg, van het Beatrix-feest in '38 en de brandstapel buiten Pretoria, dan heb ik de grootste moeite om mezelf te overtuigen dat die dingen echt hebben plaatsgevonden en voorgoed voorbij zijn. Je staart naar details. Van de werkelijke invloed van Hollanders in Zuid-Afrika - kerk, taal, bloed for what it's worth - vertellen ze je niets. Je komt niet dichterbij die groep van zevenduizend. Was Willem Frederik Mondriaan erbij? Het zou kunnen: onderwijzer in Pretoria, raadslid tot 1919, oprichter van de Transvaal Post, ridder in de orde van Oranje-Nassau, gestorven in de Transvaal, 1944.

Rechts van de houtstapel, hurkend, herken ik prof. Matthijs Bokhorst, een Rotterdammer. Ik heb met zijn zoon op school gezeten. Zijn vader was directeur van de National Gallery te Kaapstad. Hij bracht het werk van Anton Heyboer en Constant Permeke naar het zuiden, ondanks de boycot, en ik was hem er dankbaar voor.

En het staatsbezoek van Beatrix? Nu 'Zuid-Afrika' eindelijk voorbij is (met weinig of geen kans op tempo doeloe, in dit geval) zou de koningin een aardig gebaar kunnen maken naar het voormalig wingewest van ons geweten. Een Van Gogh, een Mondriaan? Cadeau, welteverstaan.

M.m.v. het Suid Afrikaans Instituut en de Nederlands Zuidafrikaanse Vereniging te Amsterdam, en de Werkgroep Kairos in Utrecht