Brabantse kunst in aardappelschuur

Tentoonstelling: De Muze als Motor II. Kunst in Brabant 1945-1996. De Beyerd, Breda; De Pont, Tilburg en Van Abbemuseum, Eindhoven. T/m 24 november.

Zou er zoiets als Brabantse kunst bestaan? Op de tentoonstelling De Muze als Motor II, Beeldende kunst in Brabant 1945-1996, hangen vier beelden van de Brabantse kunstenaar Jacques Frenken (1929). Alle vier hebben ze het christendom tot onderwerp, maar ook weer niet helemaal - er zit Frenken duidelijk iets in de weg. Zo is in De Beyerd Piëta (1968) te zien: een rouwende Maria met Christus op haar schoot, waar Frenken 365 forse kopspijkers doorheen sloeg, om het geheel vervolgens matgrijs te schilderen. Of neem Crucifx/Target uit 1966: een gekruisigde Christus, zijn hoofd geknakt op zijn schouder, over hem heen is een veelkleurige schietschijf geschilderd, de roos ligt precies ter hoogte van zijn lendendoek. Hoewel zo'n schietschijf associaties oproept met het werk van Jasper Johns, doen Frenkens beelden eigenlijk veel meer denken aan de gekruisigde, pluche Mickey Mouse die het Amsterdamse kunstenaarsduo Tempi & Wolff eind jaren tachtig maakte. Maar Frenkens beelden zijn veel grimmiger, zonder de postmoderne ironie. Bij hem wordt duidelijk ergens mee afgerekend.

Toch gaat het te ver om het werk van Frenken typisch Brabants te noemen. Typisch 'gevallen-katholiek' lijkt me beter. Want als De Muze als Motor iets opnieuw duidelijk maakt, dan is het dat kunst zich niet op geografische gronden laat indelen. Dat neemt niet weg dat ook van Brabant na de Tweede Wereldoorlog, net zoals van ieder gebied of dorp of stad in een bepaalde tijd, een kleine kunstgeschiedenis te schrijven valt. En bekijk je De Muze als Motor op die manier, dan blijkt de Brabantse ontwikkeling een opvallend goede weerspiegeling te zijn van de ontwikkeling van de moderne kunst in het algemeen. Niet voor niets geldt Brabant met Amsterdam nog steeds als de regio waar de meeste toonaangevende Nederlandse kunstenaars vandaan komen. Waar dat aan ligt wordt overigens op de tentoonstelling en in de catalogus niet erg duidelijk, al zeggen opvallend veel Brabantse kunstenaars die nu rond de veertig zijn (zoals Peer Veneman) dat het feit dat het Van Abbemuseum in de buurt was een belangrijke invloed voor ze is geweest.

Wie nu over de drie tentoonstellingen in het Van Abbe, De Pont en De Beyerd loopt, ziet dat Brabantse kunt in de jaren vijftig en zestig vooral uit navolgers van de grote internationale stromingen bestond. De schilderijen van Ad Snijders moeten het bijvoorbeeld sterk van hun Cobra-invloed hebben, het werk van Gerrit van Bakel, hoe charmant ook, blijft afgeleid van Tinguely en de weefsels van Ria van Eyk zien eruit als de produkten die in 1975 in bijna ieder hobbycentrum - in het lokaal naast de cursus macramé - in elkaar werden geknutseld.

Vanaf de jaren zeventig en tachtig komt in die volgzaamheid langzaam verandering. De moderne 'installatie-kunst' is bijvoorbeeld goed vertegenwoordigd: zo is in De Pont een mooie, vervreemdend beeld van Roos Theuws te zien, waarbij blauw polystyreen tot een ijsschotsen is omgevormd (Wo Eis ist, ist Kühle für zwei) en toont Joep van Lieshout, tegenwoordig onder de werknaam 'Atelier van Lieshout' een van zijn 'woon-werk-cabines', waar je nog net in kunt liggen en zitten. Maar ook wordt er goed geschilderd in Brabant, zoals blijkt uit de uitstekende reeks schilderijen van Marc Mulders in De Beyerd en De Pont en het opvallende aantal jonge figuratieve schilders in het Van Abbe: Koen Vermeule, Ronald Versloot, Mariëlle Soons en Kiki Lamers.

De Muze als Motor II zou dan ook een goede tentoonsteling zijn geweest, als De Beyerd in Breda zich er niet zo slordig van had afgemaakt. Waar het Van Abbemuseum en De Pont keurig verzorgde presentaties hebben ingericht, heeft het Bredase museum een groot gedeelte van haar tentoonstelling ondergebracht in een loods die nog het meest lijkt op een oude aardappelschuur. In zo'n ruimte komt kunst al moeilijk tot zijn recht, maar dit gedeelte is ook nog eens beschamend slecht ingericht. Krakkemikkige wandjes met brede naden moeten de schilderijen dragen, en op de grond liggen gammele 'podia' waar de beelden op gekwakt lijken: een presentatie waarvoor een beginnende academieleerling zich diep zou schamen. Vooral voor de kunstenaars die alleen in deze ruimte exposeren is dit pijnlijk, omdat hun werk zo wel erg gedeclasseerd wordt. Zo komt Guido Geelen, die prachtige keramieken beelden maakt, er bekaaid vanaf, net als Maria Roosen. Henk Visch en Peer Veneman hebben het geluk dat ze ook nog elders exposeren.

Hoe het wél moet ziet de toeschouwer als hij De Pont inloopt. Meteen rechts, aan een sneeuwwitte wand, hangen buiten tentoonstelling of catalogus, vier schilderijen van René Daniëls uit het midden van de jaren tachtig, waaronder Painting on the bullfight en het sublieme Painting on the flag. Ware feesten zijn het, van kleur, van gelaagdheid, en van compositie. Wie deze schilderijen ziet, kan zich er over blijven verbazen hoe tijdloos het werk van Daniëls is, zeker in verhouding tot het werk van tijdgenoten als Peter Kantelberg of George Korsmit, dat in De Beyerd is te zien. Dat het werk van Daniëls daar in De Pont dan ook buiten mededinging hangt, is dan ook jammer. Alsof de tentoonstellingsmakers zich een beetje schamen voor de beste kunstenaar die Brabant in decennia heeft voortgebracht.