Beklemde roeiers; Naar een nieuw model van de trireme

Nog steeds is niet geheel duidelijk hoe effectief de thalamieten waren, de onderste rij roeiers in de antiek-Griekse trireme. En was de trireme Olympias wel in staat een vijandelijk schip te rammen zonder zelf naar de diepte te worden gesleurd?

ONDER LEIDING VAN de staatsman en vlootaanvoerder Themistokles slaagden de Grieken er op 28 september van het jaar 480 vóór de jaartelling in een Perzische vloot te verslaan in de zeeëngte tussen Attika en het eiland Salamis. Op dat moment had een Perzisch invasieleger Centraal-Griekenland onder de voet gelopen, Athene ingenomen en de Akropolis in brand gestoken. Maar deze Griekse overwinning deed het tij alsnog keren. De zeeslag was beslissend omdat de Perzen voor de bevoorrading van het leger waren aangewezen op de aanvoer over zee, maar aan de strategisch belangrijke voorwaarde dat ze die zee ook beheersten, werd na de slag bij Salamis niet meer voldaan, en daarmee was de Perzische invasie tot mislukken gedoemd.

Misschien is het een gevolg van de dramatische omstandigheden waaronder de zeeslag werd bevochten en het grote belang van de uitkomst ervan dat er nu al vijfhonderd jaar intensief wordt gepuzzeld en ook hartstochtelijk getwist over technische bijzonderheden van de schepen waarmee deze zeeslag werd uitgevochten. We weten dat het roeischepen waren van het trireme-type, dat wil zeggen dat de roeiers, in totaal 170, waren opgesteld in drie lagen. Ze trokken elk aan één riem van zo'n 4,20 meter lengte. Zoals door Fik Meijer op 20 januari 1994 in deze katern is uitgelegd, werden de 62 roeiers in de onderste laag thalamieten genoemd. Daarboven zaten de zugieten, 54 man, daar weer boven waren de thranieten gezeten, ook 54 man. Een klein aantal mariniers aan boord van elk schip beschermde de bemanning.

Het voornaamste wapen van de schepen in deze slag was de ram voor aan het schip, waarmee men de vijandelijke schepen deed kapseizen of ze lek stootte. Verdere technische informatie over deze schepen is alleen te verkrijgen door scherpzinnig, maar ook enigszins riskant deduceren uit de schaarse gegevens die zijn te vinden in de literatuur en in enkele afbeeldingen. Om tot historisch en technisch aanvaardbare conclusies te komen zou men eigenlijk de meest redelijke voorstellen moeten uitproberen.

Daar is in Engeland op initiatief van de klassicus John Morrison en de scheepsbouwer John F. Coates zo'n jaar of twaalf geleden een begin mee gemaakt. Tezamen met anderen riepen ze een stichting in het leven, de 'Trireme Trust', die een model op ware grootte van een mogelijke Atheense trireme bouwde. Zoals door de scheepsarcheoloog L.Th. Lehmann in dit bijvoegsel is beschreven (28-8 en 18-9-'87) werd dit schip, de 'trireme replica', op 26 augustus 1987 door de toenmalige minister van cultuur, Melina Mercouri, namens de Griekse regering feestelijk in ontvangst genomen en onder de naam Olympias overgedragen aan de Helleense Marine. Er is een behoorlijk aantal praktische proefnemingen mee verricht, waarbij tal van onverwachte zaken aan het licht kwamen. Hoewel we hier veel van geleerd hebben, is het jammer dat enkele onoplosbare problemen die daarbij rezen, maakten dat de proefnemingen lang zo ver niet doorgevoerd konden worden als men wel gewild had. Maar intussen is deze 'replica' onbruikbaar geworden en ze staat nu in de marinebasis te Perama bij Athene op de vaste wal opgesteld, terwijl een aantal belangrijke vraagpunten dus nog niet is opgehelderd.

Zuga

Over de resultaten van de proefnemingen met de 'replica' is door de Trireme Trust met grote openheid verslag gelegd in enkele rapporten. Die resultaten vielen namelijk nogal tegen; er kon met het schip lang zo snel niet geroeid worden als op grond van allerlei indicaties uit de historische literatuur werd verwacht. Dat bleek voor een deel te liggen aan het gebrek aan bewegingsruimte voor de roeiers. Niet alleen hadden ze allemaal iets te weinig ruimte in de langsrichting, maar de roeiers in de onderste laag, de thalamieten, werden bovendien enorm gehinderd door de aanwezigheid van dwarsbalken (zuga) op hoofdhoogte, die terwille van de stevigheid van het schip waren aangebracht. Het gevolg was, zoals J.T. Shaw in 1988 rapporteerde, dat wanneer het schip sneller voer dan ongeveer 6 knopen (een tam vaartje van ongeveer 11 kilometer per uur) de thalamieten niet meer bijdroegen tot de voorstuwing van het schip. Zijn conclusie loog er niet om: “De laag der thalamieten was zijn plaats aan boord van het schip niet waard. Dit zal in de Oudheid niet zijn getolereerd en dat geeft de noodzaak aan van verdere zorgvuldige analyse van de factoren waar de prestaties van de thalamieten van afhangen.”

Bij elke slag met de riemen kwamen de thalamieten met de dwarsbalken in aanraking, of bijna in aanraking. Eerst met het gezicht, daarna met het achterhoofd. Vooral als een thalamietroeier 'een snoek ving', werd de situatie niet alleen onaangenaam, maar ronduit gevaarlijk. 'Een snoek vangen' noemt men de fout die een roeier kan maken doordat hij het blad van zijn riem in een verkeerde stand heeft gedraaid. Dit veroorzaakt dat hij aan het einde van de haal het blad van zijn riem niet uit het water kan krijgen. Dat wordt dan door de stroming meegenomen en langszij van het schip gedraaid; daarbij drukt het andere eind van de riem binnenboord de roeier achterover.

Wat dit voor de thalamieten in de 'replica' inhield, wordt door Whitehead, Cotes en Roberts in hun rapport van 1989 als volgt beschreven: “De pechvogel kon met zijn hals door het eind van de riem tegen de dwarsbalk achter zijn hoofd worden gedrukt (...), er was dan veel kracht voor nodig om het slachtoffer te bevrijden.” Door een lus van touw om het binnenboordse eind van de riem te leggen die de slag beperkte kon dit gevaar beteugeld worden. Maar ook met zulke lussen aan de riemen roeiden de thalamieten niet echt prettig. Zoals Shaw schrijft: “De thalamieten waren eenvoudig bang voor de gevolgen van te hard trekken. (...) Dit kwam doordat de balken van het schip - de zuga - een sterk psychologisch effect bezaten, dat de thalamieten hinderde.” Hij vervolgt: “Een flinke toename van de ruimte tussen de zuga (dwarsbalken) zou alle roeiers ten goede komen en ook de thalamieten in staat stellen hun volle potentieel te ontwikkelen (...). Maar zo'n grote toename is niet beschikbaar als de lengte van het schip binnen redelijke grenzen moet blijven. Een bescheiden toename zou de twee bovenste lagen evenveel ten goede komen als de thalamieten daar op het moment allen worden gehinderd door het kleine interscalmium (afstand tussen de riemen in de langsrichting) hoewel alleen de thalamieten bang zijn letsel op te lopen. Het is daarom niet zeker of een bescheiden toename het gewenste resultaat zou hebben. Het is evenwel de moeite waard theoretisch onderzocht te worden, evenals de meer radicale mogelijkheid de zuga te verplaatsen.”

Ram

Het antwoord op een geheel andere vraag, namelijk of de Olympias wel sterk genoeg was om er mee te kunnen rammen, biedt ook uitzicht op de oplossing van dit probleem. Coates ging er bij het ontwerp in 1983 van uit dat de ram ongeveer 90 centimeter in het aangevallen schip zou doordringen. Dit zou betrekkelijk bescheiden krachten oproepen in het aanvallende schip. Maar in 1991 verscheen van de hand van de onderzoeker J. Richard Steffy de definitieve studie van de bronzen ramhuls - gewicht 465 kilo - die in november 1980 in de zee bij Athlit, in Israël, was gevonden. Steffy maakt het heel aannemelijk dat zo'n ram ontworpen was om dat juist niet te doen, omdat dan het gevaar bestond dat het aanvallende schip door het zinkende slachtoffer werd meegesleurd de diepte in. Wat de ram wèl deed was de buitenhuid zo verbrijzelen, zonder die te penetreren, dat het aangevallen schip hevig begon te lekken. Maar in dat geval werd het aanvallende schip over een veel kortere weg tot stilstand gebracht, 20 of 30 centimeter, en de krachten zouden dan drie tot vier keer groter zijn. Om krachten van die grootte zonder schade te kunnen opvangen, had de constructie van het schip Olympias zwaarder moeten zijn.

Hoeveel zwaarder? John Coates denkt dat het gewicht van de bronzen ramhuls ongeveer één procent bedroeg van het gewicht van de houtconstructie van het schip. Bij de Olympias is het gewicht van de houten scheepsconstructie 21 ton en de ramhuls weegt dan ook ongeveer 200 kilo. Maar in een recente studie van de dimensies van schepen van dezelfde gedaante, komt de schrijver van dit artikel tot de conclusie dat als de 'ram van Athlit' toebehoorde aan een quadrireme, met vier man per interscalmium, zoals door William M. Murray (1986) is betoogd, het gewicht van de ram van een trireme 65 procent daarvan heeft bedragen; dat komt uit op ongeveer 300 in plaats van 200 kilo. Het daarmee overeenkomende gewicht van het schip zou dus ruim 30 ton zijn geweest. Dan zou de romp ook dieper in het water hebben gelegen, en daarmee ook de voor de constructie noodzakelijke dwarsbalken. De plaats van de roeiers is echter vastgelegd ten opzichte van de waterlijn, dus de dwarsbalken zouden bij een zwaarder schip lager komen te liggen ten opzichte van de roeiers, wat zou bijdragen tot de oplossing van het thalamietenprobleem.

In de situatie die nu is ontstaan, blijkt dat het zeer gewenst is de proefnemingen met een trirememodel op ware grootte voort te zetten. Uit hetgeen we intussen hebben geleerd volgt echter wel dat we dat met een model zullen moeten doen dat nogal wat sterker en zwaarder is, en ook iets langer dan de Olympias.