Angst

“Wanneer kan een kind van recreatief stoepfietser promoveren tot zelfstandig verkeersdeelnemer?” vraagt Beatrijs Ritsema zich af in het stuk 'Angst' (18 september). Welnu, volgens verontrustend veel ouders van de school waarop mijn kinderen zitten, kan dat al vanaf het vijfde jaar.

Dat op die stoep is slechts 'kinderspel', bedoeld om een minimum aan evenwichtskunst en stuurvaardigheid te krijgen. Kunnen ze eenmaal ook remmen, dan is het moment gekomen, volgens deze ouders, om ze onder begeleiding zelf naar school te laten fietsen.

Hoe vaak hun eigen hart stil heeft gestaan weet ik niet. Het mijne is in ieder geval al diverse malen 'verzakt' - zo voelt het echt als je een jochie plotseling een slinger naar links ziet maken op een straat waar automobilisten gemiddeld 65 km/u rijden. Op diezelfde straat wordt voorgesorteerd en overgestoken door moeder/vader en kind. “Pas op! Néé, nu nog niet!” En:“Wàt heb ik je nou gezegd!” als de actie maar net op het nippertje goed afliep.

Dat is van school naar huis. Op de heenweg zwabbert het oranje vlaggetje vlak vóór een afremmende of links langs een optrekkende bus. Want in die beruchte straat is een bushalte. Er is geen fietspad. Verder zitten er drie onoverzichtelijke bochten in het parcours, en een stoplicht waar vaak door rood gereden wordt. Nogal eens heeft de ouder een peutertje voorop en kan hij/zij dus geen hand vrijmaken om sturend op de rug van het fietsende kind te leggen; hoewel een kind van vijf of zes daarvoor tòch te klein is.

Wat heeft deze collectieve gekte in gang gezet? Hebben die ouders iets gelezen of gehoord over zo vroeg mogelijk beginnen, heb ik iets gemist op televisie of in de pedagogische literatuur? Ben ik de enige angsthaas van de school?

Het verschil tussen mij en andere ouders is, vermoed ik, dat ik mij laat aansteken door mijn angst en zij door het 'groot willen zijn' van hun kinderen, èn die van hun klasgenootjes.

Angst is soms een goede raadgever.