Woensel: 250 jaar modernisering; De opgang van de aardappeleters

Volgens een gangbare historische theorie gaan de 'harde' demografische en economische ontwikkelingen vooraf aan de juridische en culturele veranderingen. Maar in Woensel verliep het moderniseringsproces niet zo. Nog voordat er van industrialisatie sprake was, waren de meeste politieke en culturele transformaties al nagenoeg voltooid. Een studie van Gabriël van den Brink over een dorp onder de rook van Philips dat een metamorfose doormaakte.

Gabriël van den Brink: De grote overgang. Een lokaal onderzoek naar de modernisering van het bestaan, Woensel 1670-1920. SUN, 550 blz. ƒ 59,50

Jan Kars uit het Brabantse dorp Woensel was zo arm dat zijn leven slechts een stipje vormt in de geschiedenis. Wij weten van zijn bestaan, omdat hij na de dood van zijn vrouw wilde hertrouwen en er toen vanwege de kinderen een boedelinventaris gemaakt moest worden. Dit trof de ambtenaar aan toen hij op 3 mei 1763 het huis van Jan Kars binnentrad: een weefspoel, een spinnewiel - vermoedelijk was Jan wever, zoals er veel in Woensel waren -, een koperen ketel, een beddepan, een broodschap, een trog, een moespot, twee stoelen, twee slaaplakens, vier schotels en een paar planken. Grond had Jan Kars niet, vee had hij niet, hij huurde zijn huis voor vijf en een halve gulden per jaar en hij deelde dat ook nog met twee andere gezinnen - bijna dertig jaar lang, zoals uit een ander archiefstuk valt af te leiden.

Zijn dorpsgenoot Anthoni Spoorenberg was daarentegen een machtig en vermogend man. Hij bezat bijna twintig hectare grond, vier huizen, vijf koeien, één os, één kalf, een ploeg, eggen, karren, meerdere slaaplakens en dekbedden, vier tinnen kommen, acht tinnen lepels, acht tinnen schotels en zelfs een gouden ring. Spoorenberg was de op drie na grootste belastingbetaler van het dorp, en mocht tweemaal het ambt van burgemeester bekleden. Toen hij in 1803 stierf, werd alleen al zijn inboedel geschat op 248 gulden.

Jan Kars en Anthoni Spoorenberg zijn nu gelijkelijk vergeten, hun Woensel is ook allang van de aardbodem weggevaagd, en nooit zouden we van hun bestaan geweten hebben als Gabriël van den Brink hun dorp niet met een magistraal boek vereeuwigd had. De grote overgang, een proefschrift dat deze week verscheen als handelseditie, is veel meer dan de zoveelste minutieuze dorpsgeschiedenis. Het is een gedurfde poging om de overgang van Ancien Régime naar moderne tijd tussen 1670 en 1920 aan de hand van één kleine Brabantse gemeenschap te beschrijven, op uiteenlopende terreinen als landbouw, nijverheid, godsdienst, gezin, politiek, geld, discipline en cultuur. Zoals er micro-chirurgie bestaat, zo blijkt er ook micro-geschiedschrijving mogelijk te zijn, en als iemand dat overtuigend heeft aangetoond dat is het wel Gabriël van den Brink.

Dommel

Woensel is tegenwoordig een onlosmakelijk onderdeel van de stad Eindhoven, bedolven onder nieuwbouw en verkeersaders, bewoond door bijna 100.000 mensen. Van het negentiende-eeuwse stratenplan is op moderne kaarten niets meer zichtbaar - alleen de loop van de Dommel en de bocht van de spoorlijn zijn nog herkenbaar. Op de plek waar vanouds turf werd gestoken maakt men nu TV-toestellen. Waar honderdvijftig jaar geleden tientallen linnenwevers werkten is nu het winkelcentrum. En op de heidevelden, waar ooit sloebers als Jan Kars in huizen woonden waar soms zelfs geen schoorsteen was - “werdende den rook maar alleen maar door een gat in het dack of door de deur uytgejaagt” - staan nu de kantoortorens van de multinational Philips. “In feite is niets van het oude dorp overgebleven”, schrijft Van den Brink dan ook. “Behalve de naam, en het archief”.

Een dergelijke revolutie van mensen en landschap heeft zich de laatste eeuwen overal in Nederland en de westelijke wereld voltrokken, en historici spreken in dit verband van de overgang van traditionele naar moderne maatschappijvormen. De wortels van deze modernisering liggen in de rationalisering van het recht, de verbreiding van de boekdrukkunst, de toenemende alfabetisering, de opkomst van natuurwetenschappen en de verbeterde, meer marktgerichte landbouw. Die ontwikkelingen leidden aan het eind van de achttiende eeuw tot een industriële revolutie in Engeland en een politieke revolutie in de Verenigde Staten en Frankrijk, en beide revoluties breidden zich vervolgens als een kettingreaktie uit over de rest van de wereld. De gevolgen van al deze processen waren achteraf gezien zo ingrijpend dat ze, zo meent Van den Brink, slechts met de vestiging van de mensheid in het Neolithicum zijn te vergelijken.

Het was die ontwikkeling die hij in Woensel wilde onderzoeken, op lokale schaal, en aan de hand van de bronnen die nog in dat overgebleven archief te vinden waren. Hij probeerde daarbij zo open mogelijk te zijn, zich niet vast te klampen aan allerlei theorieën, maar ook niet te vervallen tot het vergaren van een losse collectie ditjes en datjes. “Ik hoopte”, zo schrijft hij, “dat een antwoord op de 'grote' vragen door intensief onderzoek van een 'kleine' plaats naderbij te brengen was”. En misschien sprak daarin zelfs een herleving van een renaissance-ideaal: de hoop 'dat ons de geheimen van de macrokosmos door een intensief onderzoek van de microkosmos worden onthuld'.

De grote vraag is natuurlijk of dat ideaal ook klopt met de werkelijkheid. Of, anders gesteld, de microkosmos van Woensel enigszins correspondeert met de macrokosmos van Nederland of Europa. Een van de talloze kleine archiefvondsten die Van den Brink bij honderden door de pagina's gestrooid heeft, betreft een rechterlijk verhoor over een gevecht tussen twee boerenknechts uit 1818. De vechtpartij gaat om een niet terugbetaalde lening van zegge en schrijve één gulden - “want het is nu al twee jaren dat het met dien gulden duurt en ik zoude gaarne dien haat afleggen”, zegt een van de vechterbazen.

Een gulden was toen nog een flink bedrag, en ook elders zal er wel eens om gevochten zijn, maar toch zegt zo'n incident iets over de onvoorstelbare armoede in dit gedeelte van Brabant.

De meeste boerengezinnen konden zichzelf van de opbrengsten van hun bedrijf net in leven houden, geld speelde nauwelijks een rol, tot in de negentiende eeuw werd de pacht er nog in natura betaald, de wevers konden alleen rondkomen als er voldoende kinderhanden waren om mee te werken, de boeren waren nog typische zelfvoorzienende 'peasants'. De grond was zo schraal dat, blijkens een Brabants verzoekschrift uit 1716, er tienmaal harder gewerkt moest worden dan in het westen van de Republiek, en dan nog was de opbrengst minder: “Soo konnen drie mergens naar sulken bloedigen arbeyts jaarlijckx geen hondert guldens op brengen, daar den boer met vrouw en kinderen, meyt en knegt een heel jaar van moet leven”. Zoveel was een gulden dus waard.

Kloof

Daarmee stond het leven in Woensel in schril contrast met het bestaan in de zogenaamde zeeprovincies, waar de boerderijen veel groter waren, waar de boeren zich al zeker twee eeuwen ontwikkeld hadden tot gespecialiseerde, voor de markt en de steden producerende 'farmers' en waar loonarbeid allang normaal was en relatief goed betaald. Het is die kloof tussen Zeeland, Holland, Friesland, Groningen en de rest van het land die als een breuklijn door het hele Nederlandse cultuurlandschap loopt, en die het bijna onmogelijk maakt om voor Nederland welk voorbeelddorp dan ook te vinden. Terecht merkt Van den Brink echter op dat Woensel misschien niet representatief is voor het verstedelijkte Holland, maar wel voor grote delen van de rest van Europa tijdens het Ancien Régime - en vandaag nog voor de Derde Wereld.

Het was ook niet toevallig dat rond 1890 zoveel fabrikanten hun bedrijven uitgerekend in dit stuk van Brabant vestigden: de lonen waren er zo'n veertig procent lager dan in de rest van het land, er waren arbeiders volop, ze waren gezagsgetrouw en ze hadden minder nodig omdat ze meestal ook nog een stukje grond hadden met groente, aardappels en een geit voor de melk. Woensel, Eindhoven en omgeving was zo in zekere zin het Taiwan van de negentiende eeuw. Wie zich een beeld wil scheppen van mensen om wie het ging hoeft zich alleen maar de tekeningen en schilderijen voor de geest te halen die Vincent van Gogh ruim een eeuw geleden maakte in het naburige Nuenen: hoekige lichamen, stramme gezichten aan een primitief weefgetouw, petten, schorten, aardappeleters. Hoe die levens verder verliepen, kunnen we min of meer lezen bij Gabriël van den Brink. Min of meer, want Van den Brink is geen verzamelaar van verhalen, maar een theoreticus en een hartstochtelijk - zoals hij zelf toegeeft - rekenaar.

Zo weten we nu dat de pastoor van de Woenselse Sint Petruskerk in 1916 zo'n 80.000 hosties op de tong van zijn parochianen legde en dat ze gemiddeld elke twee weken ter communie gingen - een interessante indicatie van de toenemende invloed van de kerk, want een halve eeuw eerder gingen ze nog maar eens per twee maanden. We zien de industrialisatie toenemen, van de negen molens die Woensel in 1850 telde tot de veertig stoommachines die in 1910 in het dorp stonden. Ook de produktiviteit van de landbouw vliegt vanaf 1850 opeens omhoog - vooral veroorzaakt door de toename van de veeteelt en een sterkere gerichtheid op de markt. De toenemde disciplinering valt af te lezen aan het aantal inwoners uit Woensel dat voor het gerecht werd gesleept: aan het eind van de negentiende eeuw was dat veertig maal zo groot als aan het begin. Er waren meer wetten en regels gekomen, maar men was blijkbaar ook bereid om steeds meer zaken bij justitie en politie aan te geven en ze niet - via eigen richting - onderling af te wikkelen.

Beperkingen

Een mooie rekentoer maakt Van den Brink rond de huwelijksgevens van de Spoorenbergs en de andere voorname Woenselse families. Om de mate waarin deze met elkaar verstrengeld waren te bepalen, ging hij na hoe vaak er onderling getrouwd zou zijn als de huwelijkskeuze alleen maar een kwestie van toeval was geweest, en hoe vaak het in werkelijkheid gebeurde. Voor 1810 kwam hij uit op een factor 11 - wat betekende dat huwelijken tussen de meest vooraanstaande families 11 maal vaker voorkwamen dan men op grond van liefde en toeval mocht verwachten - en tussen 1810 en 1920 was die factor zelfs 19. Conclusie: de dorpselite werd kleiner, maar het weefsel werd dichter en de bewuste huwelijkspolitiek nam toe inplaats van af.

Van den Brinks fascinatie voor het getal heeft zijn beperkingen. Geschiedenis bestaat ook uit beelden, uit overlevering, uit resten van oude verteltradities, en wanneer die grotendeels ontbreken, bestaat het gevaar van eenzijdigheid. Soms leidt de voorliefde voor cijfers zelfs tot komische situaties - bijvoorbeeld wanneer via uitgebreide berekeningen en tabellen wordt 'aangetoond' dat op de slechtste gronden boekweit werd verbouwd en aardappels alleen op de beste gronden geteeld konden worden. Elke oudere boer had dat de auteur ook zo wel kunnen vertellen.

Desondanks weet Van den Brink zijn lezers mee te slepen. Want - en dat is het grote voordeel - cijfers zijn hard, helder, duidelijk, soms bevestigen ze eerdere theorieën, soms werpen ze er ook een ongenadig licht op. Zo hebben veel historici de neiging om één vorm van modernisering (bijvoorbeeld de industrialisatie en de groei van de markteconomie) als trekker van alle andere vormen van modernisering te beschouwen. In hun ogen blijft de geschiedenis altijd voorwaarts gaan, als een gestage stroom. De historische tijd wordt door hen gezien als een permanente vooruitgang, een enkelvoudige en homogene gerichte beweging.

De belangrijkste conclusie die Van den Brink uit zijn onderzoek in Woensel trekt is echter dat er vaak niks homogeens en voorwaards aan de overgang van de oude naar de moderne tijd te ontwaren valt. In een verhelderend staatje laat hij zien dat de meeste veranderingen allesbehalve gelijktijdig verliepen, en dat bijvoorbeeld de belastingtechnische modernisering al grotendeels voltooid was, toen de industrialisatie nog moest beginnen. Volgens hem klopt het dan ook niet wat veel historici beweren: dat politieke en culturele veranderingen in laatste instantie door 'harde' processen op het gebied van demografie en economie worden bepaald. In zijn ogen moeten industrialisatie en ontwikkelingen van de markteconomie juist als gevolg of eindprodukt van anderen processen worden beschouwd.

Op die opvatting valt het nodige af te dingen, juist vanwege de achtergestelde positie van Brabant in het begin van de negentiende eeuw. Nadat die politieke en maatschappelijke barrières waren opgeruimd, is het voor de hand liggend dat deze regio heel wat beter meedraaide met de rest van Nederland. Wat zich in het negentiende-eeuwse Woensel weerspiegelde was dus niet alleen een moderniseringsproces, maar ook een inhaal- en aanpassingsproces ten opzichte van de noordelijke provincies.

Van den Brink heeft niettemin een sterk tegenargument. “Het geval Woensel toont aan dat de moderne industrie een aantal vooronderstellingen kent, zonder welke zij vermoedelijk nooit tot bloei gekomen was”, schrijft hij. “Deze lagen voor een belangrijke deel op mentaal en cultureel gebied”. Een fabriek kan immers alleen constante kwaliteit leveren als de arbeiders een aantal 'deugden' hebben ontwikkeld: ijver, betrouwbaarheid, discipline en een zekere graad van scholing. Dat moest dus eerst in Woensel gebeuren, voordat Philips er zijn succesverhaal kon beginnen.

Zo zet Gabriël van den Brink met het geval Woensel de geschiedschrijving op zijn kop, en laat de zachte krachten winnen, in 't eind.

    • Geert Mak