Vreemde figuren in kinderboek van Paul Biegel; Een geheim, gruwelijker dan moord

Paul Biegel, Het ijzeren tapijt. Illustraties Saskia Halfmouw. Holland, 119 blz., ƒ 24,90. Vanaf acht jaar.

Zelden viel een geheim zo tegen als het geheim in Het ijzeren tapijt, het nieuwe kinderboek van Paul Biegel. Een deftige baron bouwt het vervallen kasteel van het dorp Pebbel weer op. De dorpsbewoners zijn erg nieuwsgierig, naar wie hij precies is en waarom hij zo rijk is. Maar de baron laat een hoog hek rond zijn kasteel zetten en wie het aanraakt, krijgt een gigantische schok. Een groep bejaarde dames laat het er niet bij zitten en zorgt dat ze op de thee mogen komen in het kasteel.

Een van hen, de schrandere Tante Jo ontdekt met haar vriendin, het meisje Magere Spiering, het mysterie van de baron. De lezer weet tot op het eind van het verhaal niet zeker wat er aan de hand is, maar dat het iets gruwelijks is, is zeker. Meermalen wordt verzekerd dat het erger is dan moord. Wie goed oplet, heeft tegen de tijd van de onthulling wel een vermoeden. Maar ik kon niet geloven dat ik het goed geraden had.

Het mysterie lijkt namelijk in niets op de echte geheimen uit eerdere Biegelboeken: een ruïne die eens in de dertien jaar een glorieus kasteel wordt, zoals in De vloek van Woestewolf, of toverachtige eilanden, zoals dat van Groot en Groei in De kleine kapitein. Stilstaande tijd, schatkisten, diepe kerkers of een dode stad; niets van dat al in Het ijzeren tapijt. Want het geheim van de baron is een probleem van deze maatschappij en van deze tijd, dat iedereen, zowel volwassenen als kinderen, helaas maar al te goed kent van de straat. Erg, ja, dat is het zeker, maar in een spannend bedoeld kinderboek is het eerder verantwoord en saai dan sprookjesachtig.

De aanleiding voor dit boek was een brief uit 1993 van een lezer aan het literaire tijdschrift voor kinderen Mik-Mak (dat helaas niet meer bestaat). 'Ik heb een verhaal bedacht dat Paul Biegel mag afmaken', schrijft hij. 'Zelf wil ik striptekenaar worden. (...) Ik wens Paul Biegel veel succes met het afmaken van mijn verhaal. Bent u nog een boek aan het schrijven Paul Biegel?' Zijn lievelingsschrijver heeft zich niet helemaal gehouden aan de ingrediënten van het verhaalbegin, toch is veel ervan wel op de een of andere manier in het boek terecht gekomen. Wat moet dat geweldig zijn voor de negenjarige Edwin uit Swifterband.

Maar helaas, behalve het saaie geheim valt het boek ook in andere opzichten tegen. Het is alsof Biegel zich niet heeft kunnen beheersen en het boek te grappig heeft willen maken. Zoveel verhaalfiguren praten met een accent ('t Iss niet pluiss', 'super de luux', 'gotsammekraken') dat het lachen je vergaat. Dat geldt ook voor de namen: één Thea Mooiegat is nog wel leuk, en een Jantine-met-de-zwarte-kousen ook nog wel, maar waarom Magere Spiering zo nodig eigenlijk 'Geertruida Allegonda van Suchtelen van de Haare' moet heten is een raadsel.

Agenten zijn dom, de baron kwabbig en de oude dames panisch en sensatiebelust. Het ene personage is, ondanks de voorspelbaarheid, nog gekker dan het andere en je mist een rots in de branding zoals, alweer, de kleine kapitein: een wat karakterloos, maar betrouwbaar en sterk figuur. Het ijzeren tapijt doet al met al denken aan een melige klucht, waarbij mensen struikelend door de deuren vallen waarna weer andere mensen over hen vallen, waarna weer andere mensen... et cetera. Het boek is te 'vol' geworden.

Gelukkig blijkt, voor wie niet teveel acht slaat op al dit tumult, toch uit Het ijzeren tapijt dat de nu eenenzeventig jarige Paul Biegel nog steeds een meesterlijke kinderboekenschrijver is. Uit kleine dingen, zoals de reactie van een lakei als hem gevraagd wordt of hij soms Hendrik heet: 'Als u dat wenst, mevrouw.' Uit beschrijvingen, zoals van hoe de kisten op het tapijt verschijnen: met 'een waaigeluidje.' Of uit Biegels laconieke toon: 'Nu komt het, dacht tante Jo.' Na een berustende witregel staat er dan kortweg:' 't Kwam geweldig.'