Toeval regeert alles, behalve het hart; David Guterson over zijn roman Ceders in de sneeuw

“God mag dan dood zijn - dat betekent nog niet dat er voor ons iets wezenlijk veranderd is.” Gesprek met David Guterson, de Amerikaanse auteur van de roman Ceders in de sneeuw, die zich afvraagt wat er mis is met de literaire traditie.

David Guterson: Ceders in de sneeuw. Vert. Aad van der Mijn. Uitg. Prometheus, 400 blz. Prijs ƒ39,90.

Het land dat voor ons ligt, het land achter ons. Vert. Martha Heesen. Uitg. Prometheus, 144 blz. Prijs ƒ29,90. Vanaf 1 oktober in de winkel.

De boeken van Guterson ('Snow Falling on Cedars' en 'The Country Ahead of Us, The Country Behind') zijn in paperback verschenen bij Vintage Books.

“Amerikaanse schrijvers kunnen niet goed overweg met de liefde; een gepassioneerde relatie tussen een man en een vrouw wordt gezien als een sentimenteel en melodramatisch onderwerp. Dat heeft misschien te maken met onze cultuur: Amerika is een samenleving op doorreis, waarin mobiliteit en vluchtigheid hoog staan aangeschreven - ook in liefdesrelaties. Al sinds Hawkeye en Huckleberry Finn hoeden de helden van de klassieke Amerikaanse romans zich voor de liefde; en àls ze desondanks verliefd worden op een vrouw, zoals de hoofdpersoon van Cormac McCarthy's recente bestseller All the Pretty Horses, dan blijven ze op eerbiedige afstand. Echte liefde, zo lijkt het, is het domein van pulpschrijvers als Robert James Waller en Nicholas Evans. Toen mijn roman uitkwam, werd hij dan ook gezien als het literaire alternatief voor The Bridges of Madison County.”

De laatbloeier David Guterson (Seattle 1956), auteur van de sublieme love-and-justice-roman Snow Falling on Cedars, is een zeldzaamheid in de moderne Amerikaanse literatuur: een schrijver die niet alleen kan bogen op groot commercieel succes - zijn roman staat met een miljoen verkochte exemplaren al 47 weken in de New York Times-bestsellerlijst - maar ook op bewondering van de critici. Vorig jaar kreeg hij van een jury van collega-schrijvers de vooraanstaande PEN/Faulkner Award voor Snow Falling on Cedars; in het zomernummer van het literaire maandblad Granta werd hij uitgeroepen tot een van de twintig 'best young American novelists'.

“Ik ben zekerder van mezelf geworden, minder skeptisch over mijn werk,” antwoordt Guterson op de vraag of hij is veranderd door het succes van het afgelopen jaar. “Toen ik in 1989 debuteerde met de verhalenbundel The Country Ahead of Us, the Country Behind was ik bang dat ik de tijd van mijn lezers zou verknoeien. En misschien deed ik dat ook wel: sommige van de verhalen, die ik als twintiger heb geschreven, tonen een overdosis invloed van Raymond Carver. Als ik The Country Ahead of Us nu lees, zie ik een jonge schrijver die nog veel moet leren, maar ook een die voorzichtig de thema's aanroert die in Snow Falling on Cedars terugkomen. Al mijn werk gaat over verlies en spijt; net als de hoofdpersonen van mijn roman denken de personages in mijn verhalen voortdurend na over de al dan niet foute beslissingen die ze in het verleden hebben genomen. Ik lijk haast gespecialiseerd in melancholieke piekeraars.”

Snow Falling on Cedars, vertaald als Ceders in de sneeuw, heeft veel in zich van het ideale boek. De uitgever noemt het een 'literaire misdaadroman' - een aanprijzing die sinds het succes van Donna Tartt en Kerstin Ekman een hoge vlucht heeft genomen - maar daarmee doe je Guterson te kort. Ceders in de sneeuw mag dan draaien om de rechtszaak rond een schijnbaar vermoorde visser, het is daarnaast een gracieus geschreven liefdesverhaal èn een geëngageerde roman over een zwarte bladzijde uit de Amerikaanse geschiedenis: de gedwongen internering van Amerikanen van Japanse afkomst tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een echte hoofdpersoon heeft Ceders in de sneeuw niet; Guterson wisselt per hoofdstuk van perspectief en brengt onder meer een bejaarde advocaat, een overijverige politieman, een ontroostbare vissersvrouw en een Japanse schoonheid tot leven. Maar de sympathie van de lezer gaat in de eerste plaats uit naar Ishmael Chambers, de eenarmige hypochonder die begin jaren vijftig voor het provinciale sufferdje de rechtszaak tegen een Japanse visser verslaat, en zo weer geconfronteerd wordt met de Japanse vrouw die hem dertien jaar eerder de bons gaf. Het is Ishmael die bij toeval de sleutel tot de oplossing van de moordzaak in handen krijgt; het zijn Ishmaels jeugdherinneringen en morele dilemma's die het hart van het boek vormen.

In zijn hotel in regenachtig Amsterdam ('het weer is hier net als in Seattle') vertelt de zacht pratende David Guterson dat Ceders in de sneeuw begon als 'een Romeo-en-Julia-achtig verhaal over een jongen en een meisje die gescheiden worden door gebeurtenissen buiten hun macht.' Toen hij een bladzijde of honderd gevorderd was, kreeg Guterson het gevoel dat er iets miste; het verhaal was niet dwingend genoeg. Geïnspireerd door Harper Lee's klassieke rechtbankroman To Kill a Mockingbird (1960), een van de persoonlijke favorieten die hij als literatuurdocent aan de universiteit van Seattle placht te onderwijzen, gebruikte hij een rechtszaak met een racistische ondertoon om het verhaal van Ishmael en Hatsue structuur en diepte te geven.

Vuurtoren

Anders dan veel lezers denken, is de rechtszaak even fictief als het liefdesverhaal. Guterson: “Het enige in Ceders in de sneeuw dat op historische feiten berust, is het verslag van de internering van de Japanse immigranten. De hetze tegen Japanse families die al decennia in de VS woonden, het inpikken van hun eigendommen, de vijandigheid waarmee ze na terugkomst uit de kampen bejegend werden - het maakt allemaal deel uit van de geschiedenis van het eiland bij Seattle waar ik woon. Overigens is het eiland van Ishmael en Hatsue ook grotendeels aan mijn verbeelding ontsproten. Mijn eigen eiland was alleen al ongeschikt omdat het geen vuurtoren heeft, terwijl die voor de plot onontbeerlijk is. Zoals de meeste schrijvers word ik liever niet beperkt door de feiten.”

Het landschap van de met ceders bedekte eilanden in het uiterste noordwesten van de Verenigde Staten speelt een belangrijke rol in het werk van Guterson, die in zijn hele leven maar één jaar niet in de buurt van Seattle woonde. Als ik hem vraag of hij net als de eenzame eilanders in zijn roman 'een produkt van de geografie' is, antwoordt hij dat ieder mens achtervolgd wordt door de plaats waar hij geboren en getogen is. Waarna hij onderstreept dat de overweldigende natuur hem als schrijver bijzondere mogelijkheden biedt.

“De natuur is voor mij niet zomaar de achtergrond voor de gebeurtenissen die ik beschrijf; ze beïnvloedt ook het denken en handelen van de personages. Niet dat ze een helende of funeste werking heeft, zoals je in de literatuur uit de Romantiek ziet; ze trekt zich juist niets van de mensen aan. In mijn roman gebruik ik de manshoog vallende sneeuw om dat te verbeelden: alles wordt er door overweldigd, zelfs de rechtszaak die het eiland in de ban houdt, komt even tot stilstand: 'All human claims to the landscape were made null and void'. Het verhaal van Ceders in de sneeuw draait voor een deel om een grimmige historische vete over een aardbeienveld van een paar hectare. Als er een laagje sneeuw op valt, kan niemand meer zeggen waar de grenzen lopen.

“Sommige critici hebben geschreven dat Ceders in de sneeuw een modieus boek is omdat het net als de bestsellers van John Grisham en Scott Turow opgebouwd is rondom een rechtszaak. Maar het is eerder een heel ouderwets boek, in de traditie van het negentiende-eeuwse 'American Naturalism'. Net als schrijvers als Stephen Crane en Theodore Dreiser beschrijf ik de wereld om ons heen als onverschillig - of zoals Ishmael oppert: 'unfairness is part of things'. Dat klinkt misschien fatalistisch, maar het vergroot het belang van de menselijke verantwoordelijkheid. In een onverschillige wereld is er geen god of noodlot waarop je verantwoordelijkheid kunt afwentelen. Zoals de Franse existentialisten zeiden: je eigen daden zijn het enige waarmee je je vrijheid kunt veroveren.”

Menselijk hart

Guterson bevestigt dat de nadrukkelijke laatste zin van Ceders in de sneeuw - 'accident ruled every corner of the universe except the chambers of the human heart' - een samenvatting van zijn wereldbeeld is. “Natuurlijk wordt het menselijk hart ook bij tijd en wijle geregeerd door het toeval, maar in principe geloof ik in vrije wil, in het vermogen van mensen om keuzen te maken en daarnaar te handelen. In Ceders in de sneeuw neemt Ishmael na lange innerlijke tweestrijd een beslissing die moreel toe te juichen is, maar die er voor zorgt dat hij zijn geliefde Hatsue definitief kwijtraakt. Je mag hem een existentialistische held noemen.”

Een onderhoud met David Guterson is een aparte ervaring. Zelden sprak ik een schrijver die zo serieus is en zo beheerst fanatiek zijn filosofie uiteenzet. En nooit sprak ik een Amerikaanse schrijver die zich positief uitlaat over zoiets onmodieus Europeaans als het existentialisme.

Guterson: “De meeste moderne schrijvers voelen zich ongemakkelijk bij de morele stellingname die verbonden is met het existentialisme; uiteindelijk zeg je: oefen je vrije wil uit en je doet automatisch het goede. Amerikaanse schrijvers houden niet van morele beweringen, omdat ze dan het risico lopen om geassocieerd te worden met prekende rechtse rakkers. Ze deinzen ervoor terug om de lezer achter te laten met een greintje gevoel dat er morele oordelen zijn geveld, of zelfs dat er een morele kwestie is geponeerd waarover je kunt nadenken. Ze zijn bang.

“Ik wil niet moralistisch of didactisch overkomen, en ik weet heel goed dat er prachtige boeken zijn geschreven waarin niets wordt betoogd en niets aan de orde wordt gesteld. Maar wat is er mis met de grootse literaire traditie op de planeet aarde die zich bezighoudt met het opwerpen van morele vragen - vragen als 'wie zijn we en wat moeten we zijn?' en 'hoe moeten we leven?' De grote verhalen uit de wereldliteratuur gaan over de mens in conflict met zichzelf. Maar sinds de negentiende eeuw is dat een steeds minder populair onderwerp geworden. 'God is dead, anything goes', lijkt het credo. Mijn instelling is anders: God mag dan dood zijn - dat betekent nog niet dat er voor ons iets wezenlijk veranderd is. De moraal, de afweging van goed en kwaad, blijft altijd actueel.”

Als ik Guterson vraag of hij zichzelf als een geëngageerd schrijver beschouwt, antwoordt hij dat het niet de taak van de schrijver is om de wereld te verbeteren. “Natuurlijk ben ik tevreden als de lezers door het lezen van Ceders in de sneeuw inzicht krijgen in het hoe en waarom van de internering van de Japanse Amerikanen. Maar ik zou het verschrikkelijk vinden als van mij verwacht werd dat ik altijd sociale of politieke kwesties aan de orde stel. Mijn volgende boek wordt dan ook een picareske roman met een Don Quichot-achtige hoofdpersoon, een stuntelende oude man die tegen de achtergrond van het mythische Amerikaanse Westen met de keuze tussen goed en kwaad geconfronteerd wordt.”

Wie Guterson hoort praten krijgt het beeld van een kluizenaar die op zijn eiland in de Puget Sound mooie boeken schrijft en geheel los staat van zijn collega-schrijvers. Is er een stroming waarmee hij zich verwant voelt, zijn er eigentijdse schrijvers die hij bewondert?

Guterson: “Eigenlijk lees ik te weinig moderne Amerikaanse literatuur om me daarover uit te spreken. De trend van de laatste jaren is een terugkeer naar het conventionele verhalen vertellen; de nieuwe schrijvers zijn technisch heel begaafd, en schrikken terug voor stilistische experimenten. Als ik dat hoor, voel ik me een van hen, ik beschouw mijzelf als een 'conventional realist'. Maar dat wil niet zeggen dat ik die geestverwanten ook bewonder. Eerlijk gezegd zie ik nog niemand van het kaliber van John Updike of Saul Bellow.”

Als ik voorzichtig de naam noem van Bret Easton Ellis, die met American Psycho naar mijn mening een van de Grote Amerikaanse Romans van de laatste jaren heeft geschreven, kan Guterson nog net zijn hoongelach bedwingen. De Bratpack-schrijvers mogen in Europa dan groot succes hebben, volgens Guterson zijn het 'zielloze dégénérés' die door niemand in de Verenigde Staten serieus genomen worden. “Ik geloof niet,” zegt Guterson, “dat de Amerikaanse literatuur zinderende tijden doormaakt. Maar misschien heb ik ongelijk; je hebt nu eenmaal altijd weinig kijk op je eigen generatie.”