Somberen over moreel verval doet sociale context geen recht

Er wordt de laatste tijd veel gesproken over moreel verval. Maar de toon van dit conservatief getoonzette gesomber over de moraal deugt niet, vindt J. Wallage, want het gaat voorbij aan de sociale context waarin normen en waarden functioneren.

Dit is een bekorte versie van zijn toespraak op het seminar 'Waarden en normen: een rol weggelegd voor de overheid' op 25 september.

In sommige kranten wordt al geruime tijd een heus moraaldebat gevoerd. En dat gaat tot in de hoogste abstracties: wat is in onze snel veranderende pluriforme samenleving de grondslag of gemeenschappelijkheid van onze moraal?

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: er moet mij een aantal kritische kanttekeningen bij dit normen- en waardendebat van het hart. Wat mij er, om te beginnen, niet echt aan bevalt is het onderliggende beeld van normverval, normvervaging en maatschappelijke desintegratie. Ik stoor mij aan die 'Untergang des Abendlandes'-stemming. Men spreekt zonder enige nuance of schakering van verloedering, dè morele crisis of dè ontspoorde jeugd. Het debat over normen en waarden speelt zich zo af tegen een decor van zwartgallig cultuurpessimisme. En dat vertroebelt de zaak, letterlijk en figuurlijk.

In kringen van de VVD bijvoorbeeld wordt nadrukkelijk de erfenis van de jaren zestig en zeventig onder vuur genomen. Nederland zou sindsdien te ver zijn doorgeschoten of nog sterker zijn ontspoord. Men pleit in reactie daarop voor een 'terugkeer van het ouderwetse burgermansfatsoen'. Deugden als discipline en plichtsgevoel zouden weer opnieuw onder de aandacht moeten worden gebracht. Het is deze eenzijdige conservatieve maatschappij-diagnose waartegen ik mij verzet. Al was het maar omdat deze simpelweg wringt met de analyse van feitelijke maatschappelijke ontwikkelingen. Van massaal normverval of wild om zich heen grijpende verschijnselen van maatschappelijke desintegratie kan moeilijk worden gesproken.

Niet voor niets laat het recent verschenen Sociaal en Cultureel Rapport 1996 zich dan ook lezen als een remedie tegen dit type zwartgallig cultuurpessimisme. Het SCP concludeert dat er allesbehalve gesproken kan worden van een samenleving in ontbinding. Integendeel: met de overgrote meerderheid van de bevolking lijkt het beter dan ooit te gaan in termen van welvaart en welzijn. En alle individualisering ten spijt: het verenigingsleven floreert, de aandacht voor politiek-maatschappelijke vraagstukken is groter dan ooit uit eerdere peilingen is gebleken, de relatie tussen kinderen en ouderen is beter dan ooit eerder geregistreerd en zo is er meer.

Het is, vanzelfsprekend, niet allemaal rozengeur en maneschijn - noch in het SCP-rapport, noch in mijn visie. Het SCP-rapport bevat ook het portret van de Nederlandse burger die zich bezorgd toont over de toekomst. Krijg ik nog wel werk of houd ik mijn baan nog? Is er straks nog een redelijke oudedagsvoorziening? Kunnen mijn kinderen nog rekenen op goed onderwijs en studiefinanciering? Zal mijn buurt verder verpauperen en ben ik nog wel veilig in mijn eigen huis?

Dergelijke vragen - die mensen sterk bezighouden - hebben veel te maken met de snelle veranderingen in onze samenleving. Met de feitelijke veranderingen, maar ook met de perceptie van veranderingen, de indruk van 'alles verandert, niets blijft meer hetzelfde'. Het lijkt één en al dynamiek wat de klok slaat. Aangedreven door de media en uitgekiende (belanghebbende) reclame-marketing tuimelt de ene trend over de andere heen: van Internet tot 'kantoren zonder eigen werkplek'. Mensen achterlaten met het gevoel dat ze niet meer 'up to date' zouden zijn.

Het is deze commerciële regie van het dagelijks bestaan die bijdraagt aan het gevoel dat men de aansluiting met moderne ontwikkelingen mist. Dit vergroot de onzekerheid die verbonden is met feitelijke maatschappelijke veranderingen. Want: oude onzekerheden lijken weg te vallen, terwijl de contouren van de 'nieuwe zekerheden' veel burgers niet helder voor ogen staan.

Daarbij gaat ook de politiek niet vrijuit. Het lukt ons, als paarse coalitie en als PvdA, moeilijk om mensen het gevoel te geven, dat bij alle turbulentie en onzekerheid 'bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil' blijft gegarandeerd. Voor een deel wordt dit veroorzaakt door het politiek maatschappelijk debat over ontwikkelingen van de langere termijn: hoe in 2015 ons aan te passen aan de vergrijzingsgolf, hoe over een generatie de milieuschade fors te beperken? [...]

De actuele 'staat van Nederland', zoals het SCP die heeft beschreven, biedt geen reden om ongenuanceerd te spreken in termen van normverval, morele crisis en maatschappelijke verloedering. En het zou ook te dol zijn om de erfenis van de jaren zestig en zeventig daarvoor de schuld in de schoenen te schuiven. Dat waren eerder de jaren van ontwaken. Degenen die ontwaakten stelden de democratische ambitie van de samenleving op de proef. Zij verlangden dat macht en gezag zich altijd legitimeren en dat, getuige de toen ontstane leus 'spreiding van inkomen, kennis en macht', democratisch burgerschap meer is dan een kwestie van staatsrecht en kiesstelsel.

Bovendien, hoezo normverval? In tal van opzichten kan men sinds de jaren zestig ook van normverrijking spreken: de positie van de vrouw, een eerlijker omgang met homoseksualiteit, het milieuvraagstuk, mensenrechten en de Derde Wereld, de positie van kinderen, respect voor andere culturen: op dit vlak zijn er de laatste decennia nieuwe waarden en normen ontstaan, die toch eerder als aanwinst voor de publieke moraal mogen gelden dan als illustraties van een morele crisis.

Nee, die conservatieve nostalgie die de toon van het normen- en waardendebat zozeer kleurt, acht ik niet adequaat. De conclusie van het SCP en ander onderzoek luidt, dat met de toegenomen bewegings- en handelingsvrijheid van burgers, de onzekerheid over, laat ik het zo noemen, 'goed en kwaad' helemaal niet groter is geworden. De algemene consensus over de normen die verankerd zijn in het Wetboek van Strafrecht is onaangetast. Waar het de fundamentele zaken betreft (geweld, diefstal, vandalisme etc.) is het normen- en waardenbesef onveranderd stabiel.

En al vormt dit een belangrijke correctie op het negatief getoonzette normen- en waardendebat, deze vaststelling betekent uiteraard niet dat we bij alle maatschappelijke ontwikkelingen van vandaag kunnen jubelen. Er mag dan op het fundamentele niveau van waardenbesef niet veel aanleiding voor ongerustheid zijn, er is wel een serieus probleem met toegenomen normoverschrijdingen en met de normhandhaving door de overheid.[...]

Mijn probleem met het huidige normen-en-waarden-debat is, dat het deze maatschappelijke context onvoldoende erbij betrekt. De sociale dimensie ontbreekt. Het is me te veel het villapark dat zich druk maakt om het normverval in de meer kwetsbare buurten. Het doet me ook denken aan de wereldvreemde opmerking van CDA-vice-fractievoorzitter De Hoop Scheffer in NRC HANDELSBLAD (14 september): die vroeg zich in alle naïviteit af, waarom er in buurten met huurhuizen zoveel meer rotzooi lag na Oudejaarsavond dan in wijken met alleen koopwoningen. Dat is de vraag stellen waarom er geen hooligans bij hockeywedstrijden zijn.

Een klassieke blinde vlek van het wat conservatief getoonzette moraal-gesomber is dat het geen relatie legt tussen maatschappelijke ontwikkelingen, sociaal-economisch en cultureel, en de mate waarin normoverschrijding plaatsvindt. Heel simpel: een zich verhardende maatschappij, die hardhandig winners en losers scheidt, zal ook hardere criminaliteit oogsten (zie de VS). Zoals ook een puur kapitalistisch-hedonistische cultuur, die een BMW als hoogst bereikbaar ideaal presenteert, uitlokt dat er een legale en illegale route naar dat bezit zal onstaan.

Wat zich wreekt bij het conservatieve moraaldebat is dat het, klassiek, de markteconomie en het daarmee verbonden vraagstuk van maatschappelijke ongelijkheid negeert. Er wordt bijvoorbeeld geen relatie gelegd tussen het neoliberale marktdenken - met zijn kritiek op de solidariteits- en gemeenschapsidee van de verzorgingsstaat - en de zorg om moreel verval. Als men de samenleving louter ziet als een verzameling nut maximaliserende, calculerende burgers, dan roept men moreel verval over zich af.

Voor mij daarentegen staat vast dat het tegengaan van criminaliteit en normoverschrijding alles te maken heeft met het tegengaan van uitsluiting van mensen, met het voorkomen van het gevoel dat men er niet meer toe doet. [...]

Er is democratisch leiderschap van de politiek gevraagd om door de routines van alledag, door de onverschilligheid heen te breken. De ervaring van sociale vernieuwing laat het zien: een optredende overheid kan een katalysator zijn voor het leefbaarder en veiliger maken van wijken. Het gaat dan, zeker, om wat dan heet optreden in de faciliterende of randvoorwaardelijke sfeer, niet zozeer in het privé-domein van normen en waarden: de voorwaarden scheppen - materieel, rechtstatelijk en cultureel (gemeenschap) - waardoor zoveel mogelijk burgers in staat worden gesteld de normen en waarden die wij delen te kunnen naleven en respecteren. [...]