Roman Kees 't Hart; De naam voor het gat in zijn herinnering

Kees 't Hart: Blauw Curaçao. Roman. Querido, 194 blz. ƒ 34,90

Bizarre romans en verhalen zijn het, die Kees 't Hart tot nu toe heeft gepubliceerd. Op het eerste gezicht valt er geen touw aan vast te knopen. Weliswaar duiken allerlei vertrouwde namen en begrippen op in de tekst, van warenhuis tot zwembad en van Elvis Presley tot Althusser, maar dat gebeurt op zo'n wonderlijke manier dat de lezer er nauwelijks raad mee weet. Het is alsof hij telkens opnieuw moet beginnen, uitgedaagd door de kennelijke geobsedeerdheid van de schrijver die met zijn eigenaardige figuraties toch iets moet hebben bedoeld.

't Harts boeken doen denken aan een waansysteem. Iemand is hier bezig de wereld op geheel eigen wijze te herscheppen. Pas zeer geleidelijk dringt het besef door dat deze waan wel eens meer met onszelf te maken zou kunnen hebben dan we ons realiseren. De wereld wordt overzichtelijk doordat we er op voorhand een ordening aan opleggen, een raamwerk van conventies dat herkenning mogelijk maakt. Bij 't Hart heeft elke conventie haar geldigheid verloren en daardoor ontstaat ontvankelijkheid voor iets heel anders: klanken, geluiden, beelden, ritme, losse woorden waarvan de betekenis nog niet is vastgelegd.

Ook in zijn boeken heerst een orde, die allereerst blijkt uit de - vaak zeer geestige - stijl, maar omdat deze orde afwijkt van de gebruikelijke kan dankzij het contrast iets zichtbaar worden van wat in elke orde verloren gaat: het vreemde, het ongerijmde, het raadselachtige van de werkelijkheid. Door de gretigheid waarmee zijn vertellers toegeven aan hun associaties wordt op z'n minst gesuggereerd dat de realiteit zoals we die doorgaans ervaren niet alles omvat.

In zijn nieuwe roman Blauw Curaçao is het niet anders. Wie onbevangen begint, weet soms niet wat hij leest. In lange elliptische zinnen, vol nevenschikkingen, wordt de grens tussen werkelijkheid en verbeelding ongemerkt overschreden. Met de meest absurde en hilarische gevolgen. Opeens blijkt de erotische fantasie, die zojuist nog aan een pornoboekje gebonden leek, zich ongegeneerd te mengen in een ogenschijnlijk realistische beschrijving. Zo wordt alles vlottend en onzeker, vol van mogelijkheden die elke voorspelling van het vervolg belemmeren.

Toch is de roman tegelijkertijd strak en helder in elkaar gezet. Blauw Curaçao bestaat uit vier hoofdstukken, die elk in vier parten zijn opgedeeld. En, veel meer dan in 't Harts vorige boeken, er is zelfs sprake van een serieuze plot. De nieuwe roman heeft iets van een psychologische detective. De hoofdpersoon en verteller is een jongeman van tegen de twintig, die last heeft van een falend geheugen en worstelt met een duister trauma in zijn verleden. 'Curaçao' is de naam voor het gat in zijn herinnering, een naam die zowel angst inboezemt als verlangen oproept.

Op Curaçao heeft de naamloze verteller als klein kind met zijn moeder gewoond. Daar moet iets verschrikkelijks zijn gebeurd dat sindsdien uit alle macht is verdrongen. Iets dat met dood en verstandsverbijstering te maken heeft - en met een geheimzinnig zusje. De moeder drukt dit verleden weg in het 'schreeuwen' waarvan meer dan eens gewag wordt gemaakt, hoewel nergens blijkt dat daar veel lawaai aan te pas komt. Het krankzinnige 'schreeuwen' is eerder een echo van een allang verdwenen rumoer. Bij de verteller zelf zijn de herinneringen vervaagd tot 'kleurloze vlekken waaruit geen enkel geluid opklonk'.

Wanneer hij met zijn moeder bij een vriendin van haar gaat logeren in de stad D., komt het verleden langzaam maar zeker weer boven. Aanleiding tot de logeerpartij is dan ook een reünie die de moeder en haar vriendin willen bezoeken. Maar het woord 'reünie' krijgt ook nog allerlei andere connotaties. Erotische connotaties bijvoorbeeld, zoals in het pornoboekje dat de verteller op zolder aantreft en dat daarna door zijn gedachten blijft spoken. Een volgende 'reünie' beleeft hij met de jongen en het meisje die hij in zijn 'oude huis' ontmoet, want zijn moeder en hij hebben ooit in D. gewoond. Via hen krijgt hij een fotoalbum in handen, dat aan zijn moeder heeft toebehoord. En met behulp van de foto's, alle genomen op Curaçao, doemt de verdrongen verschrikking op uit de duisternis.

Uiteindelijk komt ook de lezer te weten wat er is gebeurd, al zal ik het hier niet verklappen. Het is inderdaad een ramp die de verdringing ten volle rechtvaardigt. Maar de charme van de roman zit niet in de oplossing van het raadsel. Voor 't Hart is dit nogal geijkte stramien niet veel meer dan een middel om de anders oeverloze stroom van associaties, beelden en uitweidingen in te dammen. Van veel groter belang is de beweging die zich afspeelt in het hoofd van de verteller en die het staketsel van de plot aankleedt met vele lagen van suggestie en betekenis.

Zo beschrijft de roman ook de rites de passage naar de volwassenheid, compleet met 'offer' en louterend vuur, ook al blijft onduidelijk of er nu echt iets heeft gebrand. Tussen het imaginaire en het werkelijke bestaat bij Kees 't Hart nooit een welonderscheiden grens. Zo is het ook in Goethe's bekende gedicht over de Erlkönig, dat door de jongen van het 'oude huis' meer dan eens met overgave wordt gezongen. Of de 'elfenkoning' al dan niet bestaat, blijft bij Goethe in het midden, maar aan het eind van het vers is het kind wèl dood.

Dat laatste tekent het gevaar waaraan de verteller blootstaat, zolang hij in de ban van zijn moeder blijft. Vandaar dat hij liefst door haar 'verlaten' zou willen worden. Als remplaçant dient haar vriendin zich aan, net als destijds op Curaçao toen zij zich na de ramp over hem had ontfermd; op het eind van de roman vindt hij in haar armen zijn verlossende 'reünie', waardoor de psychologische detective alsnog een oedipaal tintje krijgt. Want wat is die vriendin anders dan een 'ideale' moeder die in een minnares verandert, terwijl de vader om zeep is geholpen doordat voor hem in de herinnering van de verteller geen enkele plaats wordt ingeruimd?

Het meest intrigerend is echter iets anders: de rol van de zintuigen bij dit alles. Misschien heeft de psychologie toch niet het laatste woord in deze eigenzinnige roman. In het bijzonder gaat het om de ogen, want de verteller kijkt er wat af en wil bovendien zelf gezien worden. Esse est percipi - zijn is gezien worden, zoals blijkt uit de merkwaardige scène waarin de verteller twee naakte vrouwen gadeslaat die bezig zijn elkaar met 'schoonheidslotion' in te smeren. Voor de reünie, denkt hij onwillekeurig, maar ook lezen we: 'Zo had ik op Curaçao in de spiegel gekeken wanneer mijn moeders vriendin zich opmaakte, zich bepoederde en haar lippen kleurde met een donkerrode stift' - vermoedelijk de enige zin uit het boek die 't Harts naamgenoot uit Maassluis graag voor zijn rekening had willen nemen.

Bij de twee vrouwen moet de fantasie eraan te pas komen om hen te laten terugkijken en hèm te zien. Moeders vriendin daarentegen ziet hem op een gegeven moment werkelijk - 'zonder vooropgezette bedoelingen', zoals het ergens heet. Een 'theorieloos kijken' is de voorwaarde voor een echt nieuw begin. Over zichzelf zegt hij: 'Ik zou volmaakt gelukkig en verlaten zijn als ik erin slaagde naar de vriendin van mijn moeder te kijken zonder aan Curaçao te hoeven denken'. Geluk of een nieuw begin is een zaak van onbevangenheid, en dáárvoor moet het verleden overwonnen worden.

Alle boeken van Kees 't Hart getuigen van dit inzicht. De mooie paradox van Blauw Curaçao is dat de verteller het daarin pas na veel omwegen weet te veroveren, terwijl het toch al vanaf de eerste bladzijde op even ontwapenende als uitdagende wijze door de schrijver in praktijk wordt gebracht.

Uit: Kees 't Hart, Blauw Curaçao

Het schuimende geluid uit haar mond was verbonden met de kleur rood, dat stond vast, het was rood geluid, niet felrood als van postzegels die door kinderen ontworpen waren, maar het rood van de hooggehakte schoenen die de vrouw in het plaatjesboek gedragen had, ik opende mijn mond en de pik van de man gleed naar binnen, botste van binnen tegen mijn linkerwang waardoor die opbolde, daarna gleed hij weer terug, misschien moest ik mijn mond iets meer openen, ik wilde niemand pijn doen, haar rode schoenen klemden om mijn tenen, ik zakte verder naar beneden om wat meer ruimte in mijn mondholte te maken, zodat de man zijn pik gemakkelijker mijn keel in zou kunnen sturen, maar de stem van mijn moeder hield niet op.