Plannen maken voor een nieuwe ark

Hendrik van Teylingen: De grote verschuiving van de aardas in 1998. De Bezige Bij, 218 blz. ƒ 37,50

Van domineeszoon tot aanhanger van de Vedische leer. Van predestinatie tot reïncarnatie. Zo zou je niet alleen het leven, maar ook het werk van Hendrik van Teylingen kunnen samenvatten. De boeken die hij tot dusver schreef zijn autobiografisch: zijn jeugd, zijn diensttijd, zijn liefdesleven en vooral zijn geestelijke ontwikkeling is er in vastgelegd. Tussen zijn steile afkomst en zijn huidige staat van verlichting ligt op het eerste gezicht een wereld van verschil. Maar het lijkt wel of de verschillen steeds kleiner worden.

In zijn nieuwe roman, De grote verschuiving van de aardas in 1998, duikt dominee Van Teylingen, hoewel allang overleden, op de eerste bladzijde alweer op. De zoon legt er de nadruk op dat hij dezelfde Lieve Heer eerbiedigt als zijn vader. Het boek eindigt met een bijbelcitaat en ook voor het overige is het rijk aan stichtende woorden. Van Teylingen jr steekt nog net geen preek af, maar heft regelmatig de waarschuwende vinger.

Als wij hem mogen geloven, dan ziet het er beroerd uit voor ons. Over twee jaar zal volgens Van Teylingens bronnen (onder anderen Nostradamus en de Ramala-mystici), ten gevolge van welke aardgasboringen of atoomoorlogen ook, de aardas verschuiven met alle rampzalige gevolgen vandien. Hoe serieus we zijn apocalyptische voorspelling moeten nemen, wordt niet helemaal duidelijk. De boodschapper hanteert in het algemeen een laconieke toon, maar soms klinkt er ook lichte paniek door. Met vrouw en kind en enkele vrienden maakt hij zelfs plannen voor het bevoorraden van een soort ark, die hen moet redden van de naderende zondvloed. Al maakt hij zich over de mogelijke gebeurtenissen ook weer niet al te veel illusies. 'Als de vloed in één oerzwalp Amsterdam van zijn palen slaat, kunnen we meteen alles wel vergeten.'

Een gewoon boek is De grote verschuving intussen niet. Van Teylingen noemt het zelf een 'roman', tussen aanhalingstekens dus. Er staan brieven in (onder meer aan de minister-president) en processtukken, boekbesprekingen, dagboekachtige notities en poëticale passages. De ene keer is de toon afstandelijk en formeel, dan weer uiterst particulier en direct, maar vervelen hoeft men zich bij hem nooit. Het bijzondere van Van Teylingens schrijverschap moet wel zijn dat hij er zo indringend in aanwezig is. Een doorlopend verhaal valt er niet in te ontdekken, maar wel een rode draad. Hij komt onstuitbaar op voor zijn geaardheid in religieuze zin, voor zijn oosterse kant, zal ik maar zeggen.

Men zou zich kunnen afvragen waarom iemand voor wie dit leven niet meer is dan een 'doorgangshuis' zich zo druk maakt om een mogelijke verschuiving van de aardas. Op deze vraag geeft Van Teylingen omstandig antwoord. Hij meent het aan God en de schepping verplicht te zijn om te streven naar 'eenvoudig lijfsbehoud'. Tot zijn 97ste maar liefst, want dat is de leeftijd waarop, zo is hem voorspeld door zijn helderziende vrouw, zijn stoffelijk omhulsel het zal begeven. Hij voert ons in dit boek binnen in de wereld van de 'toekomstherinnering', zoals hij dat noemt, een wereld waarin het heden evenzeer door de toekomst als het verleden wordt bepaald. Bewijzen kan hij het allemaal niet, maar met grote stelligheid houdt hij zijn lezers voor dat er meer is dan we met onze ogen kunnen zien en met onze hersens kunnen bedenken.

Hoezeer hij ook in zielsverhuizing gelooft en daarmee in de betrekkelijkheid van dit ene leven, - toch is niets menselijks hem vreemd. Heftig gaat hij te keer tegen atheïsten en tegen allen die de dood als onverbiddelijk eindpunt van een mensenleven zien. Daarnaast heeft hij een flink aantal persoonlijke appeltjes te schillen. Met critici bijvoorbeeld die ongunstig over zijn werk hebben geschreven, of met de buurvrouw die hem een proces heeft aangedaan omdat hij haar pesterige dochter heeft geslagen, of met de nieuwe man van zijn ex die zijn zoons, tegen alle beloften in, vlees te eten geeft.

Toch is het juist deze mengeling van verheven en aards, van barmhartigheid en wraakzucht, van verlichting en kortzichtigheid, die Van Teylingen tot een hoogst genietbaar en vaak erg humoristisch auteur maakt. Hij heeft wel iets van Reve, in de luchtig-serieuze beschrijving van zijn religieuze gevoelens, en in de gewiekste afwisseling van schrijf- en spreektaal. Weliswaar is zijn stilistisch vernuft kleiner dan dat van de meester, maar ook van zijn werk kun je rustig zeggen dat het geouwehoer is waar gods zegen op rust.