Opera met regisseur en technici op het toneel

Voorstelling: G. Puccini: Il Trittico door de Vlaamse Opera o.l.v. Sylvio Varviso. Decor en kostuums: Radu en Miruna Boruzescu; regie: Robert Carsen. Gezien: 24/9 Kon. Vlaamse Opera Antwerpen. Herhalingen aldaar t/m 8/9. Opera Gent: 17 t/m 27/9.

De opzienbarende zevendelige serie Puccini-opera's bij de Vlaamse Opera wordt door de Canadese regisseur Robert Carsen besloten met een hoogst opmerkelijke versie van de driedelige Il Trittico, het operatrio van Il Tabarro, Suor Angelica en Gianni Schicchi. Carsen regisseert niet alleen een uitstekende lange opera-avond maar voert ook de operaregisseur als personage ten tonele.

Carsen verbaasde collega's, intendanten en operaliefhebbers met zijn Puccini-ensceneringen. Anders dan iedereen dacht bleek het dus toch mogelijk opera's uit het tijdperk van het verismo te brengen vanuit een conceptueel standpunt. Hij wist het rauwe realisme te abstraheren, een diepere laag te tonen onder het al te herkenbare en daardoor ondoorzichtige oppervlak.

Met aansprekende symboliek verbeeldde Carsen de onuitgesproken gedachten achter de drama's. Zoals in Madama Butterfly, waar het toneelbeeld bestond uit de scherpe boeg van Pinkertons Amerikaanse schip, die de breekbare Japanse wereld van Butterfly in vergruizelde eilanden had doen uiteenvallen. Of zoals in La bohème, waar het zolderkamertje eerst is omringd door een ijsvlakte van weggegooide kunst, nutteloos wit papier - en later, in de lente van liefde, door een veld geplette narcissen, net zo in de knop gebroken en dood als Mimi.

Het succes van de regie-opvattingen van Robert Carsen wordt het weekeinde van 5 en 6 oktober in de Antwerpse Koninklijke Vlaamse Opera gevierd met een internationaal Puccini-colloquium: lezingen, interviews, concerten, tentoonstellingen en voorstellingen.

Carsen maakt het werk van de regisseur ook tot het onderwerp van deze produktie van de Trittico, drie operaatjes die het thema dood op verschillende manieren behandelen. We zien in de voorstelling een van de repetities: een doorloop, nog zonder kostuums met iedereen op het kale toneel in dagelijkse kleren. Niet alleen de zangers en de regisseur maar ook assistenten, technici en decorbouwers bevolken de scène tijdens de voorbereidingen.

Dan begint de doorloop van Il Tabarro, de regisseur (gespeeld door een acteur) zit terzijde en geeft ondertussen nog wat aanwijzingen, terwijl deze 'repetitie' voor ons in de zaal als voorstelling fungeert. Na afloop wordt niet gereageerd op het applaus, men bespreekt de repetitie onderling.

Ook Suor Angelica wordt zo uitgevoerd, nadat een van de zangeressen eerst nog even met dirigent Sylvio Varviso een lastige passage heeft doorgenomen. Dan volgt nog het komische operaatje Gianni Schicchi, over de machinaties bij de verdeling van een erfenis. Het doodsbed wordt opgereden, maar het lijk ontbreekt, want de lijk-acteur is niet komen opdagen. De regisseur is boos en speelt tenslotte zelf voor lijk, terwijl hij ondertussen ook zijn werk blijft doen, zijn zangers in de gaten houdt en soms uit het bed stapt om te kijken.

Als de notaris komt om een nieuw testament te maken, moet het lijk worden weggewerkt. De zangers kleden de regisseur uit omdat Gianni Schicchi zijn kleren nodig heeft en hij wordt naakt in een kast gestopt. We zien hem nog een keer, als de kastdeur vanzelf open draait. Daar staat hij lelijk te kijk en is die enorme fallus waarmee hij zijn kruis bedekt het symbool voor zijn ego? Dat werkt op het niveau van de directe humor allemaal erg geestig, terwijl er ook een diepere gedachte achter zit: de wraak van de zangers op de regisseur, zij kunnen zich nu eens even als potentaten laten gaan, terwijl zij zich anders vaak slachtoffer voelen van de regisseur. Na afloop wordt het applaus halen nog gerepeteerd, waarbij op het podium ook diegenen aan de beurt komen die daar anders aan het slot nooit staan: de sjouwers, de orkestleden.

Carsen laat zo de 'werkopera' zien: een voorstelling is het resultaat van veel moeizame arbeid, die in schrille tegenstelling staat tot de glamour van de uitvoeringen voor het publiek. Dat is aardig, maar dat dachten we al lang.

Jammer is dat Carsen juist de functie van de regie zo onderbelicht en de regisseur degradeert tot de 'metteur en scène', de man die organiseert dat iedereen op de juiste plaats staat en zijn personage geloofwaardig uitbeeldt. Het gaat, zo heeft juist Carsen de afgelopen jaren bewezen, bij de regie vooral om het intellectuele en dramaturgische voorwerk: het ontwikkelen van een visie op de handeling en het samen met de decorontwerper vinden van beelden om daaraan gestalte te geven.

Carsen laat hier nu een soort regisseur zien die hij zelf niet is. Zijn drie voorstellinkjes zijn afzonderlijk en los van de inmenging van de 'regisseur' heel goed, maar in hun conventionaliteit volstrekt niet representatief voor wat hij de afgelopen jaren heeft laten zien. We zouden wel eens Carsen zelf op het podium willen zien werken, bij voorbeeld bij het regisseren van de acteur Emil Wolk die een regisseur acteert, maar ook als de man zijn gedachten door anderen wil laten concretiseren.

Op dat hogere vlak is deze voorstelling een mislukking, tenzij Carsen natuurlijk de rol van de regisseur wil relativeren of wil tonen dat men zonder hoogdravende ideeën ook een goede voorstelling kan produceren. Want na de aanvankelijke ergernis over de regisseur in de hoofdrol, resteert een buitengewoon goed gezongen en onderhoudende avond opera. Prachtige rollen van Ruthild Engert (in alle drie delen), van Stephanie Friede (Giorgietta in Il Tabarro), Cheryl Barker (een aangrijpende titelrol in Suor Angelica) en van het liefdespaar in Gianni Schicchi: Marie-Noëlle de Callataÿ en Gran Wilson.

    • Kasper Jansen