Op bezoek

Je moet naar een deftig diner en je hebt geen zin. Aan tafel zullen vast alleen maar grote mensen zitten. O nee, ook een paar kinderen die je wel eens vaag hebt gezien. Daar kun je straks tijdens het eten niet mee spelen. Die zitten netjes naast hun ouders te bedenken welke messen en vorken ze bij elk gerecht moeten gebruiken. Naast een bord liggen er aan elke kant zoveel. Jij weet het, steeds de buitenste twee, dat heeft je moeder je geleerd.

Als je langs de kronkelige rivier rijdt zie je het huis van die rijke mensen in de verte liggen. Wat is het groot. Hoeveel kamers zou het hebben, acht, negen, of misschien wel vijftien? Als je binnenkomt zijn er alleen maar oudere mensen, nog geen kind te zien. Even doe je net of je luistert naar wat ze zeggen over het weer en de minister-president. Dan loop je stil de kamer uit.

Je gaat een brede trap op, heel voorzichtig, geen trede kraakt. Aan de muur hangen de koppen van een everzwijn en een hert. De bocht om, nog een trap en als je boven bent zie je een tafel met droogbloemen die er net zo doods uitzien als de dieren.

De deur van een kamer aan de lange gang staat op een kier. Iets verder open, je maakt je smal en glijdt naar binnen. Hier zal straks worden gegeten, dat kan niet anders. Wat is die tafel smetteloos gedekt. De kleine hapjes hebben ze al neergezet. Veel schaaltjes met olijven. En ook een grote schaal met schijfjes van gekookte eieren.

Zal je er vlug één nemen? Er is vast niemand die het merkt. Als het nog niet mag toch vlug iets pakken. Dat doe je thuis ook altijd. Net of het dan het lekkerst is, een stukje vlees, een lik boter, een vinger in de jam.

Je aarzelt en loopt om de lange tafel heen. De borden heb je al geteld. Er is voor twaalf mensen gedekt. En dan houd je het niet meer, je kijkt nog even naar de deur, nee, er komt niemand aan. Je hand gaat in de richting van een schaal met eieren. Met duim en wijsvinger pak je een schijfje. Gek, wat is dat koud en hard tegen je lippen. Je schrikt zo dat het valt en breekt. In twee gave helften ligt het voor je op het parket.

Je voelt je hoofd rood worden, nog een geluk dat niemand het heeft gezien. Gauw die twee helften in je zak, die kun je moeilijk hier gaan zitten lijmen. Hoor je wat op de trap? Ja, het hele gezelschap komt er aan.

'Kijk', zegt de gastvrouw, 'dat zijn nou vergisschotels. Het lijkt net echt, die olijven en die prachtige stukjes ei. Maar ze zijn allemaal van porselein.'

Niemand let op je. Het hele gezelschap kijkt bewonderend naar de fopgerechten. Je hoort dat ze eeuwen geleden zijn gemaakt. 't Was in de mode om gasten zo met voedsel te bedotten.

Een uur later worden aan een tafel in een andere kamer de echte eieren en de andere gerechten opgediend. Je vergist je met geen vork, geen mes. Je zegt niet veel. Tijdens het hele diner voel je de twee helften van dat steenoude schijfje door je broekzak tegen je dij.