Ontluikende geletterdheid; De boekenvoorkeur van allochtone kinderen

Allochtone kinderen in Nederland die het prentenboek zijn ontgroeid kiezen meestal dezelfde boeken als hun autochtone leeftijdgenoten: van Annie M.G. Schmidt tot Roald Dahl. “Er vraagt heus niemand specifiek naar iets over een arm Turks jongetje.”

Boos greep een Caribische jeugdbibliothecaresse naar de microfoon, tijdens het internationale kinderboekencongres vorige maand in Groningen. Het doet er wel degelijk toe dat Jip en Janneke van Annie M.G. Schmidt op de plaatjes niet wit zijn, riep ze: dankzij hun zwarte hoofdjes kunnen ook niet-blanke kinderen zich met hen identificeren.

Van de andere deelnemers aan het congres kreeg zij weinig bijval. Iemand merkte terecht op dat Fiep Westendorp de figuurtjes aanvankelijk voor de krant tekende, en ze zwart maakte omwille van het grafisch effect. Een ander zei dat het toch oerhollandse kinderen zijn met sneeuw, slee en kerststal. Ook werd er gezegd dat identificatie met de hoofdpersoon in boeken niet hoefde te betekenen dat het iemand moest zijn die op je leek. En inderdaad, wie over een prinses, een demente bejaarde, een dictatoriaal varken of een trol leest, hoeft dat zelf allemaal niet te zijn. Maar ook een islamitische deelnemer reageerde. Hij wees erop dat een in Nederland populaire schrijver als Max Velthuijs, die over Kikker en zijn vrienden zoals Varkentje schrijft, binnen zijn cultuur minder aan zou slaan. Wie leeft er nou mee met een onrein dier als een varkentje?

De laatste jaren verschijnen er in Nederland steeds meer kinder- en jeugdboeken die uitgaan van een multi-etnische samenleving. Dat is vooral een logisch gevolg van het leven in zo'n samenleving. Opvallend is dat er niet langer alleen boeken verschijnen die 'allochtoon zijn' als een probleem aan de orde stellen. In de jaren zeventig was dat haast standaard het geval; speciale werkgroepen stelden op voorhand vast dat een boek met een zwart kind in de hoofdrol moest gaan over de acceptatie van de eigen huidskleur in een witte wereld.

Het prentenboek Een stukje maan in de koffie van Phil Mandelbaum uit 1990 is nog wel zo'n soort boek (Nana is zwart zoals haar moeder en vindt haar blanke vader veel mooier), maar in Zó veel van Trish Cooke en Helen Oxenbury (1995) zijn 'mama en het kindje' zwart zonder dat het boek daar op welke manier dan ook over gaat. Zó veel is populair op kinderdagverblijven door heel Nederland. “Omdat het een herkenbaar boek is voor iedereen, over geborgenheid en gezelligheid,” zegt Laura Salmón, eigenaresse van de Colibri, een multiculturele boekenwinkel voor kinderen, aan het Amsterdamse Singel. De van oorsprong Mexicaanse Salmón verkoopt kinderboeken in zestien talen en constateert een groeiend aanbod aan 'multi-etnische jeugdliteratuur,' verhalen die in andere landen spelen, gaan over hoe het is om in twee culturen te leven en voorleesboeken in twee talen.

De belangstelling voor deze boeken groeit langzaam, vooral onder ouders, vertelt de eigenaar van de eerste Nederlandse kinderboekhandel aan de Rozengracht in Amsterdam Guillaume Nivard. “Er wordt niet veel gekocht door allochtone ouders. Lezen zoals hier is waar zij oorspronkelijk vandaan komen helemaal niet aan de orde. Maar het begint te komen, want er zijn nu jonge ouders die zelf hier op school zijn geweest. Zo groeien ze langzaam in de leescultuur, dat duurt een of twee generaties.”

Griezelboeken

In zijn winkel zijn maar weinig tweetalige boeken te vinden, behalve een paar voor kleine kinderen zoals van het overheidsproject, 'Niet storen, ik lees'. Bekende Nederlandse prentenboeken, In de stad van Wim Hofman bijvoorbeeld, zijn zowel in het Turks als in het Nederlands (voor) te lezen. Bij de zelfstandige uitgeverij Lâle verscheen in 1993 Woeste Willem van Ingrid en Dieter Schubert in het Arabisch en het Nederlands. Af en toe bezoeken Turkse en Marokkaanse ouders via de stichting Capabel Nivards winkel, om voorgelicht te worden over kinderboeken. Hij raadt 'gewoon, mooie en leuke boeken' aan. Er komen ook groepen langs van scholen, en dan blijkt dat kinderen van verschillende achtergronden allemaal dezelfde soort keuzes maken voor spannende en griezelboeken. “Er vraagt heus niemand specifiek naar iets over een arm Turks jongetje,” vult zijn echtgenote Rietje Nivard aan. Volwassenen weten vaak niet goed wat kinderen graag lezen. “Af en toe vraagt een Surinaamse klant, helemaal speciaal uit de Bijlmer gekomen, naar de sprookjes over de spin Anansi. Maar hun kind roept: Aha! Daar is de nieuwe Paul van Loon.”

Allochtone kinderen kiezen, als ze de prentenboeken eenmaal ontgroeid zijn, zelf meestal niet speciaal voor boeken die aansluiten bij hun achtergrond. Boeken in de moedertaal van hun ouders kunnen of willen de meesten niet lezen. Ze lezen wat alle Nederlandse kinderen lezen, Annie M.G. Schmidt, Roald Dahl, Thea Beckman, Anke de Vries en vooral Paul van Loon en Jacques Vriens. In de boeken van met name de twee laatste schrijvers komen vanzelfsprekend kinderen van verschillende achtergronden voor. Het speelt geen rol in het verhaal en het valt dus ook niet op.

Veel kinderen komen alleen via de school en de bibliotheek met boeken in aanraking. In het onderwijsbeleid wordt een groeiend belang aan lezen in de 'vroegschoolse periode' toegekend. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die van huis uit zelden of nooit met boeken in aanraking komen, al aan het begin van groep drie een achterstand hebben opgelopen. Wie op zesjarige leeftijd nog geen kleuren, vormen, cijfers en letters kan herkennen, blijft vaak de hele schooltijd achter. Omdat het in allochtone gezinnen met lage inkomens vaak net als in soortgelijke Nederlandse gezinnen niet gewoon is om met de kinderen te spelen en ze voor te lezen, is er sinds 1986 het onderwijs voorrangs beleid (ovb), gericht op het vergroten van onderwijskansen van kinderen in achterstandsituaties. Sinds 1994 bestaat de Stichting Lezen, een 'landelijk platform voor leesbevordering' dat allerlei goed bedoelde projecten in gang heeft gezet.

Van deze projecten zijn de activiteiten van de stichting Averroès speciaal bedoeld voor migrantengezinnen met kleine kinderen. Bij de Averroès-uitgeverij verschijnen mooie prentenboeken in het Nederlands, Turks, Papiaments en Arabisch. Via consultatiebureau, peuterspeelzaal of basisschool bereiken de programma's met wat moedeloos stemmende namen als 'Instapje', 'Opstapje' en 'Opstap opnieuw' de doelgroepen.

Bij basisscholen in zogenaamde 'achterstandsgebieden' komt een speciale jeugdbibliothecaresse langs (de 'ovb-er') met een krat boeken over een bepaald thema zoals 'familie' of 'emoties', een handleiding voor de docent en uitleg voor de ouders. “Het streven is elk kind minstens een keer per jaar de bibliotheek in te krijgen,” zegt de Amsterdamse jeugdbibliothecaresse Annemarie Kos van de Bos en Lommer-bibliotheek.

In de bibliotheek is een speciale 'boek en luisterhoek' voor kinderen van vier tot tien jaar ingericht, met boeken en cassettebandjes in verschillende talen. Kos leest een keer per week voor: “Sprookjes als Roodkapje vinden veel kinderen leuk om te horen.”

Joop ter Heul

Kos meent dat het kinderboekenaanbod wel wat 'intercultureler' kan. Kinderen zoeken naar boeken die gaan over Marokkaans of zwart zijn in Nederland. Dat is gewilder dan verhalen over andere landen, zoals de reeks die uitgeverij Leopold in samenwerking met de Novib uitgeeft: “Meisjes van tien komen hier soms al vragen naar de boeken van Zohra Zarouali, die eigenlijk bedoeld zijn voor meisjes boven de tien.”

Een groot aantal Marokaanse en Turkse meisjes rond de twaalf leest de boeken van Zarouali. Zarouali, die op haar achtste van Marokko naar Nederland verhuisde, schrijft in een soms tegen de Bouquet-reeks aanleunende stijl over het leven tussen twee culturen en de keuzes die daarmee samenhangen. In haar eerste boek, Amel (1989), dat zij op haar achttiende schreef, moet het 'vernederlandste' meisje Amel kiezen tussen de huwelijkspartner die haar ouders kiezen en haar geliefde Johnny, die er zelfs in een joggingpak fantastisch uit ziet. Uiteindelijk voegt zij zich naar de wens van haar ouders. In het tweede deel, Amel en Faisel heeft de moraal wel wat weg van Joop van Dil-ter Heul van Cissy van Marxveldt uit de jaren dertig: het jonge pasgetrouwde meisje rebelleert aanvankelijk tegen het huwelijk en de eisen van de echtgenoot, maar komt tot inkeer. Zarouali's laatste boek, Sanae (1996) is wat moderner. De hoofdpersoon studeert en werkt. Ze verlaat haar man omdat hij teveel luistert naar zijn ouderwets-Marokkaanse moeder en zussen.

Een verklaring voor de populariteit van deze boeken is wellicht, naast de vaart van het verhaal en de eenvoud van de taal, de behoefte van vooral puberende meisjes aan herkenning (jongens zijn tegen die tijd vaak niet meer zo leeslustig). Zij willen, over het algemeen veel meer dan kinderen tussen de zes en twaalf jaar, lezen over hun eigen identiteit en hun eigen problemen. Er verschijnen steeds meer jeugdromans over specifieke 'allochtone puberproblemen,' zoals de boeken van Nicole Boumaâza en Marc Vandenberghe of de meer literaire Hiçyilmaz.

Op middelbare scholen komen leraren van de onderbouw er vaak weinig toe om nieuwe jeugdromans te lezen. Ze zijn blijven hangen bij Jan Terlouw en Evert Hartman. Bij het Centrum Educatieve Dienstverlening in Rotterdam wordt momenteel gewerkt aan een uittrekselboek voor docenten over 'interculturele jeugdliteratuur'. Sanae van Zarouali komt er bijna zeker in, de opname van De weg naar het noorden van Naima El Bezaz wordt nog overwogen.

Terwijl beleidsmakers, uitgevers, bibliothecarissen, onderwijzers, stichtingen en tal van andere volwassenen hun uiterste best doen de ontlezing van de Nederlandse jeugd tegen te gaan door leesbevordering van de periode van 'ontluikende geletterdheid,' zoals het in de talloze rapporten zo mooi heet, tot op de middelbare school, hebben de jonge bezoekers van de Indische Buurt-bibliotheek in Amsterdam zo hun eigen zorgen.

De elfjarige Abdul komt er vijf keer per week en leest ongeveer een boek per dag. De boeken van Rindert Kromhout en Peter Vervloed vindt hij 'wel best,' maar ook hij heeft het allerliefst de griezelverhalen van Paul van Loon. Hij kan niet wachten tot de onlangs verschenen derde Griezelbus in de bibliotheek ligt en schreef Paul van Loon een brief: “Maar hij had geen exemplaar meer. Ik krijg niet zoveel boeken, mijn vader houdt niet zo van lezen en mijn moeder kan het niet.” Ook de moeders van Maryam (10) en Sanae (11) kunnen niet lezen. Dat vinden ze 'wel jammer,' of 'best wel onhandig'. 'Maar het geeft niet echt hoor,' roept Sanae, 'want ik kan toch gewoon vertellen wat ik lees en Suske en Wiske vindt zij ook leuk.'