O, als het maar goed met hem komt; Remco Campert over Oom Boos-Kusje en de kinderen

Remco Campert schreef voor zijn kleindochter een kinderboek, Oom Boos-Kusje. Het boek moet het begin worden van een lange serie. “Ik zit mezelf steeds verhaaltjes te vertellen op de rand van mijn eigen bed.”

Remco Campert: Oom Boos-Kusje en de kinderen. Met tekeningen van Poeka Veldman. Uitg. De Bezige Bij, 48 blz. Prijs ƒ 22,90. Boek en cd waarop Campert het verhaal voorleest: ƒ 32,50.

“Hij heet oom Boos-Kusje, met de klemtoon op Kusje”, zegt Remco Campert (67) over de held uit zijn vorige week verschenen kinderboek. De oom met de prachtige naam is gek op kinderen, maar hij heeft een groot probleem dat meteen op de eerste bladzijde wordt uitgelegd: 'Als hij kinderen wilde laten merken dat hij ze lief vond, gebeurde er iets dat hij zelf niet begreep. In plaats van lief tegen ze te zijn werd hij boos op ze. Als hij een kind over het haar wilde strelen gaf hij het een draai om zijn oren en als hij van plan was iets aardigs te zeggen kwam er een kwade snauw uit zijn mond. Het ging dus allemaal precies andersom bij oom Boos-Kusje.'

Remco Campert schreef Oom Boos-Kusje vooral voor zijn eigen lol, en dat maakt dat het ook voor volwassenen leuk is. Misschien klinkt de titel van het boek enigszins dubbelzinnig in verband met de commotie over de Belgische kinderporno-affaire, maar daar heeft het allemaal niets mee te maken. “Het verhaal was al af toen die zaak-Dutroux in België aan het licht kwam en ik hoop niet dat Oom Boos-Kusje in die sfeer getrokken wordt, zo is het helemaal niet geschreven”, zegt Campert. “Beschouw het maar als een soort tegengif, tegen het verdacht maken van alle aardige meneren die kinderen lief vinden.”

Het boek is opgedragen aan Elise, zijn kleindochter van tien. “Ik ben er aan begonnen toen ze acht was. Af en toe stuurde ik haar een vervolgverhaaltje, dat vond ze leuk. Soms zaten er maanden tussen en pas na de vijfde aflevering dacht ik: daar zit een boekje in. En nu wil ik er mee door gaan, dezelfde figuren, met nieuwe avonturen.”

In de jaren vijftig schreef Campert al kinderverhalen in Het Parool die later zijn gebundeld en nog steeds worden herdrukt onder de titel Kinderverhalen van Remco Campert. Oom Boos-Kusje en de kinderen is zijn eerste kinderverhaal sinds die tijd en de vraag is waar dat vreemde, maar toch wel ontroerende heerschap Boos-Kusje ineens vandaan komt. “Hij bestond al”, zegt Campert. “Jaren geleden dook hij ineens op in een column die ik indertijd voor de Haagse Post schreef. Hij beleefde avonturen in de stad. Die naam oom Boos-Kusje had ik dus al. Pas daarna kwam het idee dat hij kinderen zeer lief had, maar dat niet kon laten blijken. Zijn naam geeft aan dat hij een man van uitersten is, maar ik kon hem natuurlijk niet met zijn probleem laten zitten. Dat zou voor mij niet leuk zijn en ook niet voor de kinderen.”

Niet dat Campert pretendeert dat hij precies weet wat kinderen leuk vinden. “Bij het schrijven van zo'n boek denk je in de eerste plaats aan jezelf en aan wat je zelf leuk vond als kind. Kinderen vinden een tijdlang alles leuk, geloof ik, omdat hun onderscheidingsvermogen nog moet groeien. Maar het verhaal moet wel goed aflopen. Mijn zonnige temperament neigt er toe dingen gelukkig te laten eindigen en mijn kleindochter wilde dat ook. 'O, als het maar goed met hem komt', zei ze heel dwingend.”

Aanvankelijk ziet het er beroerd uit voor oom Boos-Kusje. In de tram wil hij een meisje helpen dat haar zitplaats moet afstaan aan een manke mevrouw met boodschappentassen. Hij probeert een troostende hand op de schouder van het meisje te leggen, maar omdat bij hem alles wat met kinderen te maken heeft andersom gaat, balt zijn hand zich tot een vuist en slaat hij haar een bloedneus. Dat brengt een hoop heisa met zich mee. Ontredderd komt hij aan bij zijn vriend Bolhoed (ook niet helemaal goed snik) die de gedenkwaardige woorden spreekt: 'Nu sla je al kinderen in het openbaar vervoer. Dat kan zo niet doorgaan. Straks sluiten ze je nog op.'

Openbaar vervoer, heerlijk vindt Campert het om zo'n term te gebruiken. “Ik ga er niet vanuit dat kinderen dat begrijpen, maar daar ga ik ook niet vanuit als ik voor volwassenen schrijf. Ik schrijf voor mijn eigen genoegen en dan ga ik mezelf niet breidelen door me af te vragen of de kinderen het wel snappen.”

Bibberend

Zelf weet hij niet precies waar oom Boos-Kusje's probleem vandaan komt. “Eigenlijk is oom Boos-Kusje's enige probleem dat ik hem die naam gegeven heb. Hij is contactgestoord en extreem verlegen, het zal wel in zijn jeugd schuilen, maar ik heb geen zin om dat allemaal te analyseren en dood te redeneren. In ieder geval lost de liefde zijn moeilijkheden op. De grote liefde komt ineens in zijn leven. Bij toeval klikt het tussen hem en mevrouw Mal-Ding en dat is lang niet altijd het geval. Ik weet niet hoe dat komt. Bij liefde valt dat niet uit te leggen.”

Mevrouw Mal-Ding, een 'kogelrond bruin mevrouwtje' is erg lief. 'Zal ik u Boos noemen of Kusje', vraagt ze aan oom. 'Kusje', zegt oom Boos-Kusje blozend. Mag ik u dan Ding noemen?' Toevallig heeft mevrouw Mal-Ding een liefdesbaby in huis en als oom Boos-Kusje bibberend van angst het kindje over de wang streelt, gebeurt er niets ergs.

De schrijver kan niet zeggen voor welke leeftijdscategorie Oom Boos-Kusje geschikt is. “Ik denk voor kinderen van zeven tot tien. Maar eenmaal verslaafd aan de Oom Boos-Kusje reeks, ga je natuurlijk door tot op hoge leeftijd. Mijn kleindochter kon de afleveringen toen ze acht was zelf lezen. Maar sommige dingen, zoals de combinatie van dat ouderwetse woord Mal en het woord Ding, begreep ze niet. Bij haar werd dat mevrouw Málding. Oom Boos-Kusje en mevrouw Mal-Ding gaan als gesetteld paar mee naar de volgende delen. Hoe weet ik nog niet. Ik zit mezelf steeds verhaaltjes te vertellen op de rand van mijn eigen bed. En ik denk daarbij ook aan mijn andere kleinkind, Vita van zes. Aan haar wil ik ook een boek opdragen, anders is het oneerlijk.”

Campert houdt “niet meer dan een ander van kinderen”, maar vindt ze wel ontroerend. “Ik was laatst in Berlijn voor een film van Hans Keller die Het alfabet van Remco Campert heet en daar maakten we opnamen in het kindertheater. Terugkijkend zag ik al die vreselijk aardige kindergezichtjes. Voor hen moet het leven nog beginnen. Je denkt aan hoe je zelf was, aan die weerloze openheid waarmee je accepteert wat er op je afkomt. Alles is nieuw voor kinderen.”

Oom Lutz

Als kind hield Remco Campert veel van ooms. Is de naam oom Boos-Kusje misschien ook een hommage aan zijn eigen ooms? “Het woord oom heeft voor mij een vriendelijke bijklank. In de toneelwereld waarin ik opgroeide, mijn moeder was actrice, werden vrienden al gauw oom en tante. Ton Lutz was voor mij oom Ton en Guus Oster heb ik zeker tot mijn dertigste oom Guus genoemd, toen vond ik dat te gek worden.”

Campert lijkt produktiever dan ooit. Behalve de Oom Boos-Kusje serie schrijft hij drie keer per week een column voor de Volkskrant, hij heeft de afgelopen tijd veel poëzie gemaakt (“dat komt ooit nog wel eens uit”) en hij is met een film bezig. “Toevallig is het dit jaar gelukt om al die dingen tegelijk te doen. Kennelijk was daar ruimte voor. Vroeger dacht ik: als ik ouder word neemt mijn produktiviteit af, maar dat is niet zo.”

Remco Campert is altijd full time schrijver geweest. “Ik heb voor Het Parool geschreven, voor de GPD, voor het Algemeen Handelsblad, voor de Haagse Post en nu voor de Volkskrant, maar ik ben nooit in vaste dienst geweest. Eén keer heb ik dat geprobeerd. In 1952, op mijn 23ste, heb ik mij aangemeld bij Het Vrije Volk, maar daar wilden ze me niet. Ik heb toen een bloedproef moeten doen, waar ik heel gedwee mee instemde. Ik heb bloed laten aftappen voor Het Vrije Volk! En nu weet ik nog altijd niet of het aan mijn bloed lag dat ze me niet hebben aangenomen.”

We dwalen af van Oom Boos-Kusje. Die is nu van zijn probleem met kinderen verlost, dus moet Campert snel “een andere noodtoestand” voor hem bedenken. “Het liefst wil ik dat alle figuren in het volgende boek terugkeren, ook de leuke poes die Poeka Veldman getekend heeft.”