Minister Sorgdrager over afronding IRT-affaire; 'Ik offer geen ambtenaren als symbool'

DUBLIN, 27 SEPT. Minister Sorgdrager (Justitie) heeft zo langzamerhand genoeg van de publieke discussie over misdaadbestrijders wier koppen moeten rollen. “Als je symbolisch mensen moet wegsturen om aan de wensen van de samenleving te voldoen, dan mag je daar nooit een ambtenaar voor gebruiken”, zegt Sorgdrager in Dublin Castle. Daar boog zij zich de afgelopen dagen met haar Europese collega's over Europol, de bestrijding van kindermisbruik en mensenhandel.

Gisteren kritiseerde het Tweede Kamerlid Van Traa (PvdA), voorzitter van de inmiddels ontbonden parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, het uitblijven van disciplinaire maatregelen tegen de belangrijke spelers in de IRT-affaire. Alleen het vertrek van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck, een jaar geleden, is volgens Van Traa onvoldoende. De Kamer sprak al eerder uit dat het vertrouwen in politie en justitie moet worden hersteld.

In het plan van aanpak dat Sorgdrager en Dijkstal eerder deze week naar de Kamer stuurden, vloeit geen bloed. Ontslagen, maar ook gedwongen overplaatsingen van leden van het Openbaar Ministerie die waren betrokken bij de IRT-affaire, blijven uit. Een aantal betrokkenen aanvaardt in overleg met Sorgdrager wel een andere functie. Van Traa meent dat de ministers te veel schermen met het argument dat de rechtspositie van ambtenaren andere, hardere maatregelen uitsluit.

“Dat vind ik onzin”, zegt Sorgdrager. “Als iemand als symbool voor de samenleving moet opstappen wegens een uit de hand gelopen situatie of om met een schone lei opnieuw te beginnen, is dat in de politiek. De Tweede Kamer kan een minister wegsturen. Die heeft voor de politiek gekozen. Het is de taak van de minister om zorgvuldig met zijn ambtenaren om te gaan. Daar sta ik voor. Daarvoor zal ik verantwoording in de Kamer afleggen. Ik vind dat Van Traa geen rekening houdt met het verschil tussen het werk van een ambtenaar en dat van een politicus.”

Personen hebben fouten gemaakt. Die moeten ervoor boeten, luidt de redenering.

“Het kabinet heeft in het Kamerdebat over het rapport-Van Traa absoluut niets gezegd over het ontslaan van mensen. Er is wel gehamerd op het herstel van vertrouwen in de politie en het Openbaar Ministerie. Ik heb onderzocht of de betrokkenen bij de crisis in de opsporing dingen hebben gedaan, die in ambtenaarrechtelijke zin tot maatregelen moesten leiden. Iets anders kan ik niet bedenken.

“Uit alle onderzoeken die de afgelopen jaren zijn gehouden - van Wierenga tot de enquête van Van Traa en het onderzoek van procureur-generaal Ficq - blijkt dat we de verantwoordelijkheden bij politie en justitie hebben zoekgemaakt. Dat wreekt zich op dit moment. Daardoor heeft alles zo kunnen mislopen. Mensen bij het Openbaar Ministerie hebben te weinig specifieke verantwoordelijkheden gehad, waarop ze konden worden aangesproken. Die onduidelijkheid gold voor allerlei relaties; tussen procureur-generaal en hoofdofficier, tussen officieren en politie.

“Elke keer als je kijkt naar gedragingen van betrokkenen in die tijd, dan vervloeit dat in een: 'ja, het was ook eigenlijk niet duidelijk'. Natuurlijk is dat een ongelooflijk slechte zaak. Het is nauwelijks uit te leggen dat een organisatie jarenlang zo heeft gewerkt. We wisten dat al toen we twee jaar geleden aan de reorganisatie van het Openbaar Ministerie begonnen. Ik wist dat uiteraard al toen ik procureur-generaal was. Mede daarom ben ik enthousiast begonnen aan de uitvoering van het rapport van de commissie-Donner, waarin voor deze reorganisatie wordt gepleit.”

Na alle onderzoeken heeft u geconcludeerd dat alleen de IRT-officieren Van Capelle en Van der Veen niet hebben gehandeld zoals van hen verwacht had mogen worden.

“We hebben gekeken wat officieren van justitie concreet verkeerd hebben gedaan. Van Capelle heeft zijn hoofdofficier niet goed geïnformeerd, Van der Veen heeft mij onvoldoende geïnformeerd over de Engelse XTC-zaak. Daardoor heb ik de Kamer verkeerd ingelicht. Daar zou je theoretisch best iets mee kunnen doen, maar ik vind het buiten iedere proportie om te denken aan het ontslag van deze mensen. Het gaat om mensen die in de frontlinie hebben gewerkt, die hun nek hebben uitgestoken en die soms dingen hebben gedaan die niet perfect waren. Is het dan gerechtvaardigd om deze mensen, die al drie jaar lang openbaar worden bekritiseerd, nog eens ambtenaarrechtelijk een duwtje te geven? Die kritiek heeft een immense impact op hen gehad. Het is toch verschrikkelijk dat een kind thuis vraagt: 'Pap, word je nu ontslagen?'

“Ik ben na een aantal indringende gesprekken met betrokkenen tot de conclusie gekomen dat zij beter niet konden blijven waar zij zaten. Dat heeft te maken het herstel van het vertrouwen en het beginnen met een schone lei. Uiteindelijk wilde iedereen, na alle ervaringen rondom de IRT-affaire, iets anders gaan doen. Het zijn redelijke mensen die gewoon goed hun werk willen doen. Maar neem van mij aan dat het niet gaat om promotie, zoals ik al ergens heb gelezen.”

Bent u tevreden over de rechtspositie van ambtenaren? Met andere woorden: had u anders gehandeld als u meer ruimte had gehad?

“Nee, ik had het niet anders gedaan. Ik vind wel dat er verschil moet zijn tussen een topambtenaar en een lagere ambtenaar. Ik zou me kunnen voorstellen dat je aan procureurs-generaal en hoofdcommissarissen andere eisen stelt dan aan iemand die een gewone functie heeft. Maar je kunt nooit een officier van justitie zomaar wegsturen voor een algemene fout. “Als een hoofdofficier een duidelijke verantwoordelijkheid heeft, kun je veel gemakkelijker bepalen of hij een fout heeft gemaakt. Ik wil geen groepsverantwoordelijkheden meer. Je kon in de oude situatie geen verantwoordelijken aanwijzen.

“Ik wil wel meer mogelijkheden hebben om mensen na een bepaalde tijd, bijvoorbeeld vijf jaar, van functie te laten veranderen. Dat is nu moeilijk. Maar om mensen gemakkelijker te kunnen ontslaan, nee, daar gaat het niet om.”

Er zijn, en er worden, ook officieren overgeplaatst over wie u had geconcludeerd dat zij niet verkeerd hadden gehandeld, zoals hoofdofficier De Beaufort.

“Ik heb zowel met De Beaufort als met Van der Veen gesproken. Beiden zeiden graag met een schone lei elders te beginnen. Daar zoeken we nu naar, rekening houdend met het feit dat zeker op De Beaufort niets aan te merken valt. Je kunt iemand dan niet een mindere post geven.”

Is de crisis in de opsporing voorbij?

“Ik heb altijd begrepen dat een crisis iets kortstondigs is. Er zijn nog een hoop problemen, maar er is al zoveel gebeurd sinds de enquête begon. Men is zich veel meer bewust van de grenzen van de opsporing. De toetsing van opsporingsmethoden loopt goed. Als je kijkt naar de cultuur bij het OM, dan zijn mensen nog te veel de onafhankelijke magistraat. Ik denk dat dat niet meer past in deze tijd. Die nieuwe cultuur moet nog een paar jaar groeien. Veel jongeren hebben daar geen problemen mee. Je ziet dat mensen die dat moeilijk vinden, overstappen naar de zittende magistratuur. Dat lijkt me goed als je je in zo'n andere situatie niet kunt voegen.

“Overigens blijft een officier een magistraat, die best zijn eigen accenten mag zetten. Hij moet leiding geven aan de politie, onderzoeken nauwkeurig volgen, toetsen en bij ingewikkelde zaken soms iets vragen aan iemand die hoger in rang is. Mensen reageren vaak heel emotioneel: 'Je tast de magistratuur aan!' Dat is niet zo. Bedenk dan wel precies wat je taak is. De reorganisatie is een heel spannend proces. Ik praat er vaak over met Docters van Leeuwen, die voelt dat haarfijn aan. Ik ben er toch een beetje trots op dat het OM de veerkracht heeft om positief mee te werken, ondanks alle kritiek die er is geweest”.

U hebt anderhalf jaar met uw handen op de rug moeten werken toen de enquête werd gehouden. U kon weinig doen aan het beleid voor de misdaadbestrijding. Bent u tevreden over de afloop?

“De IRT-affaire is toch ergens goed voor geweest. Het werkte als de trigger voor een nieuwe organisatie en nieuwe wetgeving. Die positieve effecten zie ik langzamerhand.”

Is het moeilijker geworden om aandacht te krijgen voor de rechtsbescherming van verdachten en de privacy van burgers? U heeft eens gezegd dat de balans een tijdje doorgeslagen is geweest naar misdaadbestrijding en dat de slinger weer de andere kant op moest.

“In de publieke opinie is men ontzettend 'anti-verdachte'. Men vergeet vaak dat een verdachte alleen nog maar een verdachte is. Je hoort vaak dat je niet hard genoeg kunt optreden tegen criminelen. Maar nee, de commissie-Van Traa en ook de Kamer hebben zeker oog gehad voor de andere kant. De geheime CID-trajecten bij de politie zijn verboden en er zijn hele duidelijke beperkingen gesteld aan het doorlaten van drugs en aan deals met criminelen en de regelingen rond de CID-registers worden herzien. Ik vind dat er een goede balans is gevonden.”