Het verzet

Met ongeschonden regelmaat stuurt Frank Bierens me sinds het verschijnen van het eerste nummer, alweer een paar jaar geleden, zijn tijdschrift Blvd. Ik heb ze allemaal bewaard, omdat er niet aflatend de grootste zorg aan wordt besteed en omdat ik het gevoel heb, iets van antikwarische waarde op te bouwen.

Maar tot lezen kom ik niet meer. Dat komt niet doordat de kwaliteit te wensen over zou laten. Prachtig papier, vernuftige lay-out om het bescheiden te zeggen. Maar de kwaliteit onttrekt zich aan mijn beoordeling. Misschien is het ontzettend goed of zou ik er verschrikkelijk kwaad om moeten worden maar ik begrijp het niet.

Kort na de oorlog verschenen in Amsterdam en Rotterdam een paar bozige blaadjes, Metro van de toneelspeler Dick van Veen en Kriterion van een aantal anonymi, waarin men liet weten de gevestigde orde aan de laars te lappen. Later, in Braak en Blurb deden de Vijftigers op een andere manier hetzelfde. Toen kwam Alles mag dat één of twee nummers heeft beleefd. Degenen die ertoe bijdroegen waren in die tijd al niet de eersten de besten - Simon Carmiggelt, W.F. Hermans - maar er mocht zoveel dat het blad een slag in het niets van de repressieve tolerantie was. Jacques Gans deed het in zijn eentje, met zijn Weekblad tegen het publiek. Serieus werd de naoorlogse verzetsliteratuur pas weer met Hitweek waarin André van der Louw, Willem de Ridder en vele anderen elkaar vonden. Intussen was het verzet met Zo is het... en Hoepla tot de televisie doorgedrongen.

Tegen het einde van de jaren zestig was het verzet nationaal geworden, een beetje zoals in april 1945. Theun de Winter en Guus Luijters konden schrijvers noemen die nog in het kleuterverzet hadden gezeten. De krakerskrant Bluf hield het midden tussen een verzetsblad en het orgaan van een belangenvereniging. Daarna kon je je verzetten tegen wie of wat je maar wilde; de natie bekreunde zich er niet om. Verzet was een bezienswaardigheid geworden als een Volendammer visser op de kade. Eigenlijk is alleen Jeroen Brouwers altijd in het verzet gebleven. Verzet is alleen verzet als je er iets van merkt. De geschiedenis van de naoorlogse Nederlandse verzetsliteratuur loopt op een onaanwijsbaar punt ergens in de jaren tachtig dood.

Is dat waar? Kan het zijn dat een blad als Blvd een heel nieuw soort verzet vertegenwoordigt dat 'wij ouderen' (te beginnen met een jaar of dertig) niet kunnen begrijpen omdat we geen flauwe notie meer hebben van de motieven die het nieuwe verzet beweegt? Frank Bierens zal niet de jongste onder de nieuwe verzetters zijn en zijn blad ziet er anders uit dan we van de verzetspers gewend zijn, maar dat zijn geen sterke argumenten.

Al eeuwen zijn ongebruikelijke krantjes de eerste zichtbare voorboden van nieuwe tijden. Vaak zijn ze ook de eerste druksels waaruit een nieuwe literatuur zal groeien. Het nieuwe is dan zo radicaal nieuw dat, terwijl het groeit, niemand zich er een duidelijke voorstelling van kan maken. Ook de makers van die krantjes zelf kunnen dat niet. Ze zijn zelf instrument in de grote beweging van de geschiedenis. Pas veel later zullen de historici zeggen: 'Ja, dáár is het toen begonnen.' Hoe onhandig, onnozel misschien ook, maar dat was het eerste teken.

En nu kunnen we ons in veel uit het recente verleden vergissen, maar hoe verder we ervan verwijderd raken, hoe duidelijker het wordt dat 1989 in het Westen en het Europese Oosten het jaar Nul van iets is dat we bij gebrek aan beter 'maatschappij' noemen. Bij dat woord denken we aan een omvangrijke, vaag begrensde, altijd georganiseerde eenheid. Dat is dus het georganiseerde van voor het nieuwe jaar Nul. Daarna is alles in toenemend tempo door elkaar gaan lopen: internationaler, grenzeloos geworden en tegelijkertijd lokaler. De Internationale van Internet, Netscape, het Web is iets heel anders dan de Internationale van welke vroegere politieke samenhang dan ook. Iets meer dan een jaar geleden was het mogelijk, een e-mail uitwisseling met iemand in Sarajevo te hebben, waaraan dan door ingrijpen van een ethnische sluipschutter een abrupt einde werd gemaakt.

Ik opper maar wat, op grond van de niet zo gewaagde stelling dat uit nieuwe tijden nieuwe literatuur ontstaat en dat de literatuur eraan meewerkt om de tijd te vernieuwen (of is dat een verouderde opvatting?). De eigenschap van iedere nieuwe tijd is dat niets bij voorbaat is uitgesloten. Later zie je wie de echte herauten waren en wie de fabrikanten van de fossielen en de curiositeiten.