Het land van de onnutte kreupelbossen

Zuid-Afrika heeft Nederland zelden koud gelaten. Soms was het in de Nederlandse perceptie een land vol wilden, dan weer leefden er ook beschaafde volkeren. Lang was men anti-Engels en voor de Afrikaners. Totdat de apartheid het beeld deed kantelen. Vrijwel gelijktijdig verschenen twee boeken over die beeldvorming.

Siegfried Huigen: De weg naar Monomotapa. Nederlandstalige representaties van geografische, historische en sociale werkelijkheden in Zuid-Afrika. Amsterdam University Press, 217 blz. ƒ 39,50

Ergens, diep in het binnenland van zuidelijk Afrika, zou volgens oude verhalen een geciviliseerd keizerrijk liggen, waar goud gewonnen werd. Op een Nederlandse kaart uit het eind van de zestiende eeuw stond dat rijk aangegeven: Monomotapa. De informatie daarover kwam van de Portugezen en van de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Afrika, de Khoi-khoi die toen Hottentotten werden genoemd.

De verhalen over dit land fascineerden de Nederlanders, die zich vanaf 1652 aan de Kaap hadden gevestigd, uitermate. Zij rustten in de volgende decennia dan ook expedities uit die vast moesten stellen hoever dat rijk lag, hoe uitgestrekt het was, welke staatsvorm het land had en hoe er het beste handel mee gedreven kon worden. Hoewel er inderdaad een groot rijk bestaan kan hebben, werd Monomotapa nooit gevonden. Een van de nevenresultaten van de expedities was echter dat men met verschillende volkeren in contact trad, met name met de Namaqua's. De Namaqua's golden in Nederlandse optiek als tamelijk ontwikkeld, maar toen Monomotapa niet gevonden werd, degradeerden ze in Nederlandse ogen tot primitieve wilden.

De voorstelling over een heel volk kon dus door daadwerkelijke contacten veranderen. Dat is een van de conclusies die Siegfried Huigen trekt in zijn proefschrift De weg naar Monomotapa, waarvan nu de handelseditie is verschenen. Huigen is neerlandicus en doceert als zodanig aan de universiteit van Stellenbosch. In zijn boek probeert hij vast te stellen of voorstellingen, of 'representaties' zoals hij ze noemt, van Zuid-Afrika veranderen en of deze dan verschillende effecten te weeg brengen. Hij doet dat aan de hand van vijf voorbeelden van Nederlandstalige teksten over Zuid-Afrika. Die teksten dateren van de zeventiende tot de twintigste eeuw. Hij vestigt hierbij de aandacht op een onderdeel van de Nederlandse letterkunde dat goeddeels vergeten is, de Nederlandstalige Zuidafrikaanse literatuur.

Vanaf 1652 tot 1925 is het Nederlands een officiële taal in Zuid-Afrika geweest. De VOC gebruikte het Nederlands voor haar officiële administratie, er werd Nederlands gesproken en er werd zelfs literatuur in het Nederlands bedreven. Dat gold trouwens ook voor andere Nederlandse buiteneuropese vestigingen zoals in Indië, Ceylon, Suriname, de Antillen en Nieuw Amsterdam, het huidige New York. Dat Nederlands bleef, naast het Afrikaans, gewoon bestaan toen de Engelsen in 1795 het bewind overnamen en is pas bij een wet van 1925 afgeschaft en vervangen door het Afrikaans. De bestudering ervan raakte op de achtergrond en dit boek is een poging tot rehabilitatie van de Nederlandstalige teksten over Zuid-Afrika.

Maar daar is het Huigen niet alleen om te doen. Hij heeft ook willen onderzoeken hoe die teksten functioneerden en hoe ze opvattingen over Zuid-Afrika en zijn bevolking beïnvloed hebben, een soort functionele historische letterkunde. Om zijn onderzoek te structureren probeerde hij het te plaatsen binnen de theorie van het 'koloniale discours'. Deze vooral Angelsaksische theorie gaat in tegen een te literaire, esthetische benadering van de literatuur. Volgens die theorie heeft de wijze waarop Europeanen over de koloniale gebieden en hun inwoners dachten niets met de werkelijkheid te maken. De 'representaties' van de niet-westerse wereld zijn gesloten taalbouwsels en vormen een universum van vooroordelen die keer op keer bevestigd worden. Er zit dus geen verandering, geen progressie, in die opvattingen, het zijn louter representaties, of zelfs, om de onafhankelijkheid van de werkelijkheid nog scherper te stellen, ook wel 'presentaties' genoemd. De Europeanen die meebouwen aan dergelijke representaties weten niet beter en kunnen niet anders, ze geloven erin. Ook de als 'empirisch waar' gepresenteerde voorstellingen, geven een verkeerd beeld en die beelden staan alle in dienst van het koloniale machtsdenken van het westen en zijn dus verwerpelijk. Ze zeggen alles over het westen, maar niets over de beschreven gebieden.

Het bezwaar tegen deze theorie is dat ze uitgaat van een wel erg statisch en monolitisch westers denken, alsof alle Europeanen altijd en overal hetzelfde over andere werelddelen en hun bewoners hebben gedacht. Een ander bezwaar is - Huigen draagt dat ook aan - dat de theorie dat westers denken moreel veroordeelt, maar tegelijkertijd vaststelt dat die Europeanen in hun vooringenomenheid niet anders konden. Ze zijn dus gedetermineerd en nog schuldig ook.

Ondanks zijn bedenkingen tegen het 'koloniaal discours' neemt Huigen dit wel tot leidraad. In het eerste hoofdstuk beschrijft hij de expedities die door de VOC werden georganiseerd naar Monomotapa en de veranderingen die daardoor intraden in het oordeel over de Namaqua's. Ze blijken nu niet langer geciviliseerd, maar ze zijn 'seer leugenachtig en bedriegelijk, eetende alles wat haar voorkomt tot ratten, honden, katte, rupsen en sprinckhanen' aan toe. De praktische ervaringen stelden het bestaande beeld bij en dat is niet zo vreemd. Die expedities waren er juist voor bedoeld om (voor commerciële doeleinden) land en volk zo goed mogelijk op de kaart te brengen en de contacten met de Namaqua's vielen tegen. Een tweede hoofdstuk behandelt een lofdicht op de Kaap, de Eerkroon voor de Caab de Goede Hoop, een gedicht van de VOC-schipper Jan de Marre uit 1746. Hier gaat het niet om een zo exact mogelijk rapport, maar om een dichterlijke evocatie, bedoeld om te plezieren. Geloofwaardigheid speelde daarbij geen rol. De Kaap is in dit gedicht een heerlijk oord dankzij de kolonisten. Zij brachten orde, waar de oorspronkelijke bewoners slechts wanorde lieten bestaan en de natuur 'onwandelbaar' was en vol van 'onnutte kreupelbossen'.

Ook het volgende hoofdstuk is gewijd aan een gedicht. Het heet Gedicht over de volkplanting van de Kaap de Goede Hoop en werd in 1832 gepubliceerd na de dood van de auteur, de predikant Borcherds. Het roemt de heilzame werking van de Europese aanwezigheid. Met een sprong belandt Huigen in het begin van de twintigste eeuw en wel bij de Zuid-Afrikaanse Historie-Bibliotheek. Dit was een reeks historische romans, over de Zuid-Afrikaanse geschiedenis, verschenen tussen 1896 en 1923. Huigen lijkt zich hier het meest thuis te voelen. In uitgebreidheid en gedetailleerdheid overstijgt dit hoofdstuk de andere. Opvallend is dat in deze boeken de Afrikaner niet per definitie wordt geïdealiseerd en dat ook zwarten en zelfs Engelsen er soms goed afkomen. Ten slotte volgt nog een hoofdstuk over een novelle uit 1913 van een zekere Jacob Lub Het zwarte gevaar, waarin, anders dan de titel doet vermoeden, een zwarte hoofdfiguur een sympathieke rol speelt.

De weg naar Monomotapa is geen geschiedenis van de Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse letterkunde. Het is een wat onevenwichtig gecomponeerde studie, bestaande uit wat de auteur voorzichtig 'verkenningen' noemt en waarin enkele zeer uiteenlopende teksten worden beschouwd vanuit de optiek van de koloniale discours-theorie. Die theorie komt enigszins opdringerig telkens om de hoek kijken. Temeer daar Huigen in het algemeen al zijn twijfels uit over de houdbaarheid ervan. Zijn conclusie is dat ze maar ten dele opgaat voor de door hem behandelde teksten. Die conclusie is niet wereldschokkend en gaat ook op voor andere Nederlandstalige teksten over voormalige koloniën. Dat neemt niet weg dat dit boek een corpus lang vergeten Nederlandstalige teksten signaleert en dat het laat zien hoe men hun werking en functie kan analyseren.